460 x bekeken

Landbouwpotentieel vraagt krachtdadige Afrikaanse overheden, bijrol voor Westen

Waar honger is, zijn het vooral de betreffende nationale overheden die daar - met landbouwontwikkeling - verandering in kunnen brengen. Westerse ontwikkelingshulp heeft weinig structureel verbeterd, schrijft Dirk Bezemer, die ook ingaat op de positie van lokale boeren en de invloed van het monetaire beleid van Europa, Japan en de Verenigde Staten.

Sinds 2002 zijn de gemiddelde voedselprijzen op de wereldmarkt verdubbeld, een stijging die vooral de laatste vijf jaar plaatsvond. Consumenten overal ter wereld moeten voor hun tarwe, rijst en mais nu beduidend meer neertellen dan tien jaar geleden.

Voor ons is dat lastig, maar we geven slechts zo’n 10 procent van ons inkomen aan eten uit. Voor onze medewereldburgers in ontwikkelingslanden, die gemiddeld tweederde van het inkomen voor eten opzij leggen, is het een ramp. Voedselprijzen zijn ook veel instabieler geworden. In de eerste helft van 2008 daalden prijzen plotseling met meer dan 30 procent; in de eerste helft van 2011 stegen ze met 40 procent.

Fijn voor de boeren, die er goed aan kunnen verdienen? Niet altijd. De meeste boeren in ontwikkelingslanden zijn deeltijdboeren. Velen geven meer aan voedsel uit dan ze ervan verkopen, en zijn dus netto verliezers bij stijgende prijzen. Los daarvan zijn sterke prijsschommelingen voor alle boeren een bron van risico – vooral als ze wel de dalen maar niet de pieken meemaken.

Veel overheden in ontwikkelingslanden subsidiëren voedsel en brandstof, om zo de armen in hun land toegang tot deze eerste levensbehoeften te geven. Ze kopen tegen wereldmarktprijzen in en verkopen tegen vaste, lagere binnenlandse lagere prijzen, waar lokale boeren dus tegen moeten concurreren. Voor overheden is dit een zware last die op de begroting drukt. De FAO schat dat de kosten van voedselimporten voor ontwikkelingslanden in 2008 een derde hoger waren dan in 2007.
Dat kan het budget niet aan, en veel landen hebben dus hun subsidieprogramma’s moeten versoberen.

In Algerije in verdubbelden de prijzen van meel en suiker binnen een maand in januari 2011. Het was geen toeval dat juist toen de ‘Arabische Lente’ begon: veel mensen waren wanhopig. Voedselprijzen kunnen grote gevolgen hebben.

Andere gevolgen zijn sluipender en komen niet in het nieuws. Het aantal mensen in de wereld met honger was lang dalende, zelfs in absolute getallen: Volgens de VN-voedselorganisatie FAO van 870 miljoen in 1969 (een kwart van de toenmalige wereldbevolking) tot 850 miljoen in 2005 (toen 13 procent van de wereldbevolking. Nu zijn het er waarschijnlijk meer dan een miljard, een zevende van de bevolking. Dit heeft veel met voedselprijzen van doen. Ook de armoede is toegenomen: de Wereldbank schat dat sinds juni vorig jaar 44 miljoen mensen onder de armoedelijn gevallen zijn vanwege stijgende voedselprijzen.

Waarom is het voedsel plotseling zo duur? Het ligt voor de hand te denken aan de droogtes van afgelopen zomer in Rusland, Australië en het zuiden van de VS. Of aan exportverboden, ook in Rusland. Er wordt nu ook veel landbouwareaal gebruikt wordt voor biobrandstoffen, waar vroeger voedsel verbouwd werd.

Maar dat is niet het hele verhaal. Hogere voedselprijzen zijn ook een gevolg van het feit dat het zo goed gaat in Zuidoost-Azië. In landen als China, Indonesië en India werd eind jaren ‘60 nog veel honger geleden. Dankzij de economische groei is dat nu beduidend minder. Er wordt meer geconsumeerd en steeds meer vlees gegeten - er zijn nu een half miljard varkens in China. Omdat het zelf weinig landbouwgrond heeft, importeert China veel graan en soja om aan de stijgende vraag te kunnen voldoen, met stijgende prijzen tot gevolg.

Een andere manier om het probleem op te lossen is niet eten te kopen, maar land te kopen. China, Zuid-Korea en verschillende Golfstaten zijn sinds een aantal jaren op grote schaal landbouwgrond in ontwikkelingslanden gaan kopen. Oxfam schat dat buitenlandse investeerders in Afrika viermaal de oppervlakte van Frankrijk aan landbouwgrond bezitten. De opbrengsten zijn veelal voor de export, waardoor er minder lokaal voedselaanbod is en de prijzen stijgen. Zulke investeringen kunnen in theorie een impuls voor de economie zijn, maar in de praktijk zijn daar geen aanwijzingen voor.

Tenslotte zijn er ook sterke aanwijzingen dat met voedsel gespeculeerd wordt. Door het ruime monetaire beleid van de Europese, Engelse, Japanse en Amerikaanse centrale banken is er de laatste tien jaar veel geld in de wereld bijgekomen. Dat moet renderen, en omdat aandelen en vastgoed het slecht doen, stapten veel investeerders in grondstoffen, waaronder voedsel. Het gaat hierbij niet om het verhandelen van fysieke bulkgoederen, maar om het kopen en verkopen van opties, futures en andere afgeleide contracten en verzekeringen.

Zulke speculatie kan een positive rol hebben voor de prijsvorming en de liqiditeit op de markt. Maar wordt ze verheersend, dan dreigt prijsopdrijving en prijsschommeling die niets meer met vraag en aanbod van voedsel van doen heeft. In de tarwemarkt van Chicago, de grootste ter wereld, is het marktaandeel van zulke speculatieve contracten in vijf jaar tijd van 12 procent (1996) naar 61 procent (2011) gegaan. In diezelfde tijd zijn de voedselprijzen dus verdubbeld. Onderzoek wijst uit dat er een verband is, waarbij stijgende prijzen speculatie aantrekken, en speculatie vervolgens prijzen verder gaat opdrijven.

Er is kortom er is het laatste decennium veel verloren in de strijd tegen honger en armoede. Op korte termijn kunnen we daar iets aan doen door financiële speculatie met voedsel in te dammen door regulering. Op 16 October 2011, Wereldvoedseldag, riepen 461 economen uit meer dan 40 landen daartoe op in een open brief aan de U.S. Commodity Futures Trading Commission, onder andere verantwoordelijk voor de tarwemarkt van Chicago. De vrije markt brengt niet altijd de beste uitkomsten.

We kunnen ook stoppen met het creëren van grote hoeveelheden geld om zogenaamd om onze economieën uit de crisis te trekken. Dat werkt tot nu toe niet, en heeft veel slechte neveneffecten voor mensen elders op de wereld. Op de lange termijn is de rol van ‘het Westen’ in de voedselcrisis vrij beperkt.

Azië, Zuid Amerika en vooral Afrika hebben enorm landbouwpotentieel dat nu vanwege politieke instabiliteit en slecht beleid onderbenut wordt. De Groene Revolutie van de jaren ‘60 en ‘70 in Azië laat zien dat een krachtdadige overheid, met steun van wetenschap en voorlichting uit de rijke landen, veel vermag. Een nieuwe Groene Revolutie is technisch mogelijk, maar het moet wel ‘daar’ beginnen en kan niet vanuit ‘hier’ opgelegd worden. Vijftig jaar ontwikkelingshulp hebben verder immers weinig structureel verbeterd, vooral in Afrika. Hier ligt een grote taak voor overheden in ontwikkelingslanden, met onze steun.

Dirk Bezemer is universitair hoofddocent ontwikkelingseconomie aan de Rijksuniversiteit Groningen

Foto

Of registreer je om te kunnen reageren.