175 x bekeken

Na de vloed komen de vragen en blijft kritische kijk nodig

Afgelopen week is voorkomen dat het hoge water oncontroleerbaar werd, aldus Peter Glas. Dat is mooi, geeft hij aan, maar er ligt nog een kluif aan uitdagingen wat betreft waterbeheer. De discussies daarover vragen een kritische opstelling, meent hij.

Nu het water in de Friese en Groningse boezemkanalen weer zakt en ook de polders weer bemalen kunnen worden, komen vanzelfsprekend de vragen los over de achter ons liggende hoogwaterperiode.

Als voorzitter van de Unie van Waterschappen kan ik zeker niet alle vragen in één keer beantwoorden. Het lijkt mij dan ook nuttig om daar waar het spannend was per waterschap en provincie een evaluatie op te stellen van de omstandigheden en het optreden van alle betrokken overheden en hulpverleningsdiensten. Uiteindelijk is door grote inzet van zeer gemotiveerde medewerkers en bestuurders voorkomen dat het hoogwater oncontroleerbaar werd. Dat is gelukt en stemt tot tevredenheid. Dit is gelukkig ook breed en positief herkend in de pers en in reacties in de social media.

Leren
We mogen echter niet blijven hangen in trots op het geboekte resultaat. We moeten er van willen leren. Ik kan daarvoor wel een paar vragen bedenken. Hebben we met elkaar goede afspraken gemaakt over de gewenste veiligheidsniveaus? Hoe zijn taken en verantwoordelijkheden verdeeld? Is onze calamiteitenorganisatie op orde gebleken? Zijn onze dijken en gemalen op orde? Hebben we onze taken goed uitgevoerd? Gaan we uit van de beste voorspellingen van weer en klimaat? Weten we wat het waterbeheer nu kost en wat zou het kosten als het nog beter zou moeten? En, welke risico’s willen wij accepteren? Zo zijn er vast nog meer vragen te bedenken.

Ik ga nu niet op alle antwoorden vooruitlopen, maar enkele opmerkingen zijn al wel te maken. Over ruimtelijke ordening, over bestuurlijke ruimte en over geld.

Het is een feit dat de ruimte voor water (aanvoer, afvoer en berging) de afgelopen decennia aanzienlijk is beperkt. Wie naar het VPRO-programma ’Nederland van boven’ heeft gekeken, zal herkennen dat ons land heel erg vol is en dat geen meter onbenut lijkt. In 1998 liepen we ’ineens’ tegen de grenzen aan van ons regionale watersysteem, toen in één week tijd in Zuid-Holland de paprika’s in de kassen dreven en in Groningen de aardappeloogst verloren ging. Schade: 400 miljoen gulden. Juist daarom zijn in 2004 tussen rijk en via het IPO (Interprovinciaal Overleg), de Unie van Waterschappen en VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten), met de medeoverheden landelijke afspraken gemaaktom meer waterberging te maken.
De uitvoering daarvan moet ingepast worden in de ruimtelijke ordening en kan dus alleen maar in afstemming gebeuren tussen provincies, gemeenten en waterbeheerders. De planning was dat dit in 2015 afkomt. Ik ben benieuwd of men in gemeenteraden en Provinciale Staten overal van het belang en de urgentie doordrongen is en of het overal gaat lukken. Zo niet, dan voorspel ik dat het water toch z’n eigen ruimte zal nemen, maar dan op plekken waar we het liever niet hebben.

Taken
Over het bestuursmodel van de waterschappen valt natuurlijk ook heel veel te zeggen. In de motie Schouw vraagt de Tweede Kamer zich af hoe de taken van de waterschappen overgedragen kunnen worden aan de provincies. Het is een zich herhalende vraag naar de structuur en organisatie van het waterbeheer. IPO en VNG sloten zich heel snel aan bij de Unie van Waterschappen met een gezamenlijke oproep aan het kabinet om ons de komende jaren te concentreren op de uitvoering van het Bestuursakkoord Water dat in mei 2011 werd gesloten, in plaats van tijd te verdoen aan structuurdiscussies.
Alle partijen weten hoe we de bestuurlijke (water)drukte kunnen verminderen, en hoe we doelmatig waterbeheer kunnen organiseren, zodat de rekening voor de burgers niet onnodig oploopt.

De waterschappen zijn van mening dat het waterbeheer ook in bestuurlijke zin ruimte nodig heeft. Ruimte om in te spelen op maatschappelijke behoeften die door de algemene democratie worden bepaald, en ruimte om daar een acceptabel kostenniveau bij te realiseren.

Tenslotte over het geld. Alle waterdiensten in Nederland kosten momenteel ongeveer 1 procent van ons Bruto Nationaal Product. Daarbinnen gaat ongeveer 0,3 procent naar waterveiligheid, en de rest naar het organiseren van voldoende zoet water, drinkwater en waterzuivering. Er ligt een uitdaging in het Bestuurakkoord Water om richting 2020 per jaar tot 750 miljoen euro te besparen op de stijgende waterlasten. Dat is een forse maar haalbare opgave, waarvoor we ’all hands on deck’ nodig hebben. Als we de waterschapstaken overdragen naar de provincies of andere medeoverheden, dan voorspel ik dat het dáárdoor alleen niet goedkoper wordt en niet beter gaat. Oppassen dus met blauwdrukdenken.

Kortom, ik pleit ervoor om voortdurend kritisch te zijn op de uitvoering, scherp op de koers en kosten van het waterbeheer, en zuinig op de organisatie en de bestuurlijke inbedding.

Peter Glas is voorzitter van de Unie van Waterschappen

Of registreer je om te kunnen reageren.