289 x bekeken

Lokale overheid en omgeving moeten grootte veehouderij bepalen

Neen, Siem Jan Schenk is niet voor giga grote veebedrijven. Wel is hij voorstander van veehouderij die wereldwijd toonaangevend is. En de LTO-bestuurder vindt dat niet de rijksoverheid, maar lokale overheden over de omvang van een veebedrijf moeten gaan. Met eisen aan duurzaamheid en het contact met de (sociale) omgeving hoog in het vaandel.

Woensdag 25 januari debatteert de Tweede Kamer over de schaalvergroting in de veehouderij. De rapporten van Alders (megastallen) en Van Doorn (verduurzaming veehouderij) hebben een koers uitgezet voor de gewenste ontwikkeling. Niet de politiek in Den Haag en niet de rijksoverheid, maar de lokale binding bepaalt de schaal en de markt stuurt de verduurzaming.

Afgelopen jaar hebben enkele duizenden mensen in verschillende fora gediscussieerd over de toekomst van de veehouderij in Nederland. Er zijn maar weinig economische sectoren waar zoveel maatschappelijke belangstelling voor is. Dat zie ik als een positief teken, maar dat brengt ook een extra verantwoordelijkheid met zich mee voor de veehouderij. Er wordt kritisch naar ons gekeken of en hoe wij de verduurzaming realiseren.

Uit die maatschappelijke dialoog van Alders concludeer ik dat niet de schaalgrootte, maar de mogelijke effecten voor de volksgezondheid en het welzijn van de dieren de belangrijkste thema’s zijn. Dat is voor mij geen nieuws, maar de conclusie van Alders valt de critici van de Nederlandse veehouderij tegen.

Waar ik voor sta, is een veehouderij die in vele opzichten wereldwijd toonaangevend is. Verduurzaming van de veehouderij is bittere noodzaak om als sector wereldwijd toonaangevend te blijven en om als ondernemer überhaupt een duurzaam perspectief te hebben. In mijn optiek moet de politiek daarom het ondernemerschap en de drive van veehouders niet blokkeren met symboolregelgeving, maar dat juist stimuleren om die wereldwijde voorsprong te houden.

Alleen door veehouders de mogelijkheden te geven tot bedrijfsontwikkeling, komt de vernieuwing en de verduurzaming echt op gang. De veehouderij kan dan op eigen kracht de actuele maatschappelijke vraagstukken van milieu, klimaat, schaarse grondstoffen, gesloten kringlopen en de voedselvoorziening oplossen.

Politici die menen dat door centraal regels te gaan stellen aan de schaalgrootte van bedrijven de gewenste verduurzaming tot stand komt, maken een grote denkfout. Wil ik dan de schaalgrootte van bedrijven volledig vrij laten? Ben ik dan voorstander van mega- en giga bedrijven? Neen.

In mijn visie is er geen blauwdruk voor de omvang van een moderne, duurzame veehouderij. De maat van een bedrijf wordt niet bepaald door regels te stellen in Den Haag, maar door wat lokaal past. Dat betekent dus dat niet alles kan op elke locatie.

Welke schaal dan wel past, hangt van twee factoren af: de specifieke gebiedskenmerken en de sociale binding van de ondernemer met zijn omgeving. Past de beoogde schaalgrootte in het gebied en is er lokaal draagvlak voor bedrijfsontwikkeling, dan staat een gemeentebestuur niets in de weg de vergunning te verlenen. Andersom geldt dat uiteraard ook.

De afweging over de omvang van een bedrijf hoort niet op rijksniveau, maar lokaal te worden gemaakt. Gemeenten kunnen aan bedrijfsontwikkeling kwaliteitseisen stellen en criteria voor duurzaamheid opnemen in het bestemmingsplan. En uiteraard nemen gemeentebesturen de mogelijke gezondheidseffecten voor omwonenden mee.

Mijn stelling is dat veehouders hun eigen toekomst moeten verdienen door nieuwe stallen te bouwen die kwaliteit uitstralen en landschappelijk zijn aangepast aan de karakteristieken van de omgeving waar het bedrijf staat. Dit zijn de fysieke en de zichtbare eisen waar veehouders aan moeten voldoen, maar veel belangrijker is de lokale binding van de ondernemer.

Een moderne veehouder ziet het belang van sociale binding in. Het gesprek met de buren, de dialoog met de lokale gemeenschap, met voor- en tegenstanders, is investeren in een duurzame toekomst van zijn onderneming.

Dat veehouders de handschoen hebben opgepakt, blijkt uit de vele initiatieven voor lokale dialogen. Bijvoorbeeld in de Limburgse Peelgemeenten Horst ad Maas, Peel en Maas, Nederweert en Leudal. Of de gesprekken die Overijsselse pluimveehouders voeren in Staphorst, Bathmen en Nieuwleusen. En het initiatief Goed Boeren in Kleinschalig landschap in Noordoost-Twente en het programma Ruimte voor de Vecht.

Ook in Brabant lopen tal van gebiedsdialogen in de gemeenten Bernheze, Landerd, Oirschot en Cuijk. In de Gelderse Vallei werken belangenorganisaties en overheden samen in de Stichting Vernieuwing Gelderse Vallei aan gebiedsdialogen die kwaliteitsimpuls voor de bestemmingsplannen zijn.

Kortom, overal in de veedichte gebieden zie ik positieve ontwikkelingen. Wat er nu al gaande is in de veehouderij, is wat Alders (megastallen) en Van Doorn (verduurzaming veehouderij) opschreven in hun rapporten als wensbeeld. Past de beoogde schaalgrootte in het gebied en is er lokaal draagvlak en verduurzaamt de veehouder zijn bedrijfsvoering, dan staat een gemeentebestuur niets in de weg de vergunning te verlenen.

Van Doorn ziet in de verduurzaming van de veehouderij een beperkte rol voor de overheid: de ketenpartijen zijn aan zet. Dat ben ik met Van Doorn eens. Deze verduurzaming is een verantwoordelijkheid van alle schakels in de keten (consument, supermarkt, foodservice, slachterij en veehouder). De overheid heeft in dat proces een bescheiden rol. Veehouders verdienen hun eigen toekomst alleen door sociale binding en een verantwoorde en duurzame bedrijfsvoering.

Daarom vind ik dat de Tweede Kamer deze ontwikkelingen moet ondersteunen en het vertrouwen moet hebben in het ondernemerschap van veehouders.

Siem Jan Schenk, portefeuillehouder Omgeving van LTO Nederland

Foto

Of registreer je om te kunnen reageren.