653 x bekeken

Kalverhandel onmisbare schakel

In Boerderij Vandaag van 17 januari stond een artikel met als titel ’Nuka-inzameling wacht op herschikking'. De gemaakte analyse vraagt om nuancering van het geschetste beeld, meent Jos Zegers. Met name de conclusie dat de inzameling van nuchtere kalveren (nuka’s) niet (kosten)efficiënt verloopt, klopt volgens hem niet.

De kalverhandel verzet veel werk tegen een marginale vergoeding en zorgt er ook nog voor dat de melkveehouder een concurrerende prijs voor zijn kalf ontvangt.

Het artikel spreekt over de inefficiëncy van 600.000 stierkalveren die via 60 verzamelcentra (inclusief veemarkten) hun weg naar de kalvermester vinden. Deze stelling gaat voorbij aan het feit dat nuka’s in aantallen van 1 tot 5 stuks bij melkveehouders moeten worden opgehaald, een tijdrovende klus, en dat er vanwege de noodzaak om te kunnen selecteren tot voldoende grote uniforme koppels, verzamelslagen nodig zijn.

Desalniettemin zijn er geen 60 maar hooguit 20 tot 25 verzamelcentra voor nuka’s in bedrijf, en dat voor 12.000 nuka’s per week. Terug naar minder verzamelcentra (en handelaren) is vanwege langere reistijden minder goed voor het welzijn van de nuka’s en werkt kostenverhogend. Door de huidige regionale spreiding zijn de afstanden en kosten beperkt. Verdere concentratie van verzamelcentra zal in het voordeel van de integraties uitwerken ten koste van de opbrengst van de nuka’s voor de melkveehouder.

Ook wordt er wat denigrerend gesproken over gepensioneerde hobbyhandelaren, die zo maar door internethandelaren vervangen zouden kunnen worden. Vergeten wordt dat kalverhandelaren kennis van zaken hebben en dat hun advies aan melkveehouders, om een kalf bijvoorbeeld een week langer aan te houden, nu al geld waard is. Die rol wordt alleen maar belangrijker met het toenemen van de druk op integraties om antibioticagebruik terug te dringen. Als die functie zo gemakkelijk geautomatiseerd in te vullen was, zou dat wel zijn gebeurt bij de introductie van cowtrack al weer enkele jaren geleden.

De stelling dat vrije mesters met rosékalveren 10 tot 15 euro meer per dier betalen dan blankvleesintegraties leidt er volgens de schrijver toe dat de huidige indeling in klassen niet meer in overeenstemming is met de realiteit. Uitbetaling naar type vleesproductie zou beter zijn. Deze conclusie is onjuist.

Om een rosékalf binnen 8 maanden tot een voldoende hoog slachtgewicht af te mesten is het belangrijk om met een zwaar nuchter kalf te beginnen. Vrije mesters voor rosékalveren betalen meer, maar krijgen daarvoor ook ‘meer kalf’. Als er al reden is om de indeling in klassen aan te passen, dan zal dit gebeuren op grond van het feit dat zwart- en roodbonte kalveren in vleeskwaliteit sterk naar elkaar zijn toegegroeid.

Jos Zegers, secretaris Nederlandse Bond van Handelaren in Vee (NBHV)

Of registreer je om te kunnen reageren.