168 x bekeken

'Wij gaan dus niet op de stoel van de boer zitten'

Een paar dagen voor de presentatie van de Rijksbegroting, de eerste van het kabinet-Rutte, lukt het Janneke Snijder maar met moeite nóg een afspraak ingepland te krijgen. De Tweede Kamer is zojuist aan het nieuwe vergaderseizoen begonnen en doet dat niet halfslachtig.

Alleen al deze week staan onder meer megastallen, Ecologische Hoofdstructuur (EHS), mest en het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) op de rol; niet de minste onderwerpen en daarom ook zeker niet de kortste debatten.

Snijder doet het met plezier, zeker ook omdat haar partij sinds lange tijd weer aan de knoppen zit en bovendien de eerste liberale premier sinds 1918 heeft geleverd. Op haar werkkamer, met prachtig uitzicht op het Binnenhof en de Ridderzaal, bereidt een beleidsmedewerker de vergaderingen later op de dag voor (’dit moet je straks wel even lezen, Janneke’), terwijl de politica vertelt over haar nieuwe rol.

”Als woordvoerder van een oppositiepartij, zoals ik in de vorige kabinetsperiode was, vervul je een horzelfunctie”, legt zij uit. ”Je kijkt naar waar stappen gezet moeten worden en probeert het kabinet daarop bij te sturen. Ik ben de afgelopen jaren kritisch geweest op het kabinet, nu moet ik er als vertegenwoordiger van de grootste partij voor zorgen dat die kritiek wordt omgezet in concreet beleid. Daar voel ik mij ook verantwoordelijk voor en daarom pak ik dat met beide handen aan; samen met het kabinet wil ik het anders doen dan in de vorige regeerperiode.”

Hoe anders?
”Het regeerakkoord dat wij hebben gesloten gaat uit van ondernemerschap. Dit betekent dat regelgeving veel minder rigide moet worden, op landbouwgebied heb je het dan met name over milieu en dierenwelzijn. Zo ben ik heel blij dat met steun van andere fracties het kooiverbod naar 2021 is verschoven, dat is een van de stapjes die wij met de huidige verhoudingen in de Kamer eindelijk hebben kunnen zetten. Dat betekent natuurlijk niet dat wij alle regelgeving overboord kunnen gooien, dat zou te simplistisch zijn. Wel is er behoefte aan meer realisme.”

Zoals in het natuurbeleid?
”Precies. Dat is ook wat Mark Rutte bedoelde met ’groenrechts’. De afgelopen jaren was er sprake van steeds maar meer, van rupsje-nooit-genoeg. Wij moeten ons uiteraard rekenschap geven van de natuurlijke leefomgeving, maar laten we niet vergeten dat er ook ondernemers zijn die een boterham moeten verdienen.”

Is realisme ook: bestaande afspraken met provincies overboord gooien? Want dat is wat Bleker met het nieuwe natuurbeleid doet.
”Dat zie ik anders. Er is altijd gezegd: laten we de EHS zo veel mogelijk koppelen aan de internationale doelen van Natura 2000 en de Kaderrichtlijn Water. En: kwaliteit gaat boven kwantiteit. Maar de provincies zijn maar gebieden blijven aankopen, en dan ook nog eens zonder te kijken of er wel voldoende middelen waren om die te beheren. Ik vind daarom dat zij maar eens in de spiegel moeten kijken. Toch heb ik er nog wel vertrouwen in dat het tot een akkoord tussen Rijk en provincies komt. Ik zie dat er gedeputeerden zijn die de handen uit de mouwen willen steken.”

Gebiedsonderhandelingen waren altijd lastig, nu zijn die bijna onmogelijk. Partijen staan met de ruggen naar elkaar toe.
”Ik weet niet of dat zo is. Bovendien moet de overheid nu eenmaal de tering naar de nering zetten. Je kunt dan niet zeggen: het natuurbeleid, daar bezuinigen we maar niet op. Ook op andere terreinen hebben we tegen schenen geschopt, in de cultuursector bijvoorbeeld. Niet bewust, maar omdat er nu eenmaal bekeken moet worden wat in deze tijd realistisch is. En als je dan ziet dat in het Dwingelderveld honderd hectare natuur wordt afgeplagd om daar nieuwe natuur aan te leggen. Dat kan toch nooit de bedoeling zijn? Ik denk dat alle partijen dat best begrijpen.”

Deze zomer lekten plannen voor het nieuwe GLB uit. Bedrijfstoeslagen worden voor 30 procent vergroend. Een goed idee?
”Als je ziet waar boeren nu al aan moeten voldoen in het kader van ’cross compliance’ (randvoorwaarden voor het verkrijgen van bedrijfstoeslagen, red.) vind ik dit wel een erg hoog percentage. En dan de voorwaarden die de Europese Commissie wil stellen: verplichte gewasrotatie, braaklegging. Wij gaan dus niet op de stoel van de ondernemer zitten; het kan echt niet zo zijn dat Brussel bepaalt welk gewas waar en wanneer mag worden verbouwd. Ik vind dat dit niet kan en daar zullen wij als Nederland dan ook nooit mee akkoord gaan. Bovendien vraag ik mij af hoe deze plannen moet worden gehandhaafd. Bij ons lukt dat nog wel, maar over bepaalde lidstaten in Oost-Europa heb ik zo mijn twijfels.”

Anderzijds: de VVD heeft de afgelopen jaren gepleit voor het ombouwen van bedrijfstoeslagen in specifieke beloningen. Is dit niet juist een stap in die richting?
”Maar die weg zijn wij al lang ingeslagen met de introductie van de cross compliance en de groene en blauwe diensten; zonder aan die voorwaarden te voldoen krijgen boeren geen subsidie. Bovendien zou ik veel liever zien dat lidstaten die 30 procent van Ciolos (eurocommissaris van landbouw, red.) zelf mogen invullen. Als het dan toch moet, kunnen we dat beter regionaal handen en voeten geven. Ik denk bijvoorbeeld aan weidegang; dat de maatschappij heel graag en ik denk dat het kan niet volledig uit de markt komen. Wat trouwens echt ontbreekt in de voorstellen van de Commissie zijn plannen voor de stimulering van innovatie. Daar moet meer invulling aan worden gegeven.”

Hoe liberaal is dat eigenlijk? U zegt: wij gaan niet op de stoel van de ondernemer zitten, maar wil wel de subsidies in stand houden.
”Ik zie de bedrijfstoeslagen niet als subsidies, maar als beloningen voor de rol die de sector vervult wat betreft agrarische productie en onderhoud van het landschap. Er zijn geen subsidies meer.”

Er is veel discussie over de plaats van de intensieve veehouderij in de samenleving. Welke rol past het kabinet?
”De overheid moet ervoor zorgen dat de sector geen risico’s met zich mee brengt voor de volksgezondheid en dat beleidsregels voor natuur, milieu en ruimtelijke ordening worden nageleefd, meer niet. De visie van de Commissie-Van Doorn (die recent de provincie Noord-Brabant adviseerde over de toekomst van veehouderij in die provincie, red.) sluit daar naadloos op aan. En ik wil het daarbij niet over megastallen hebben, want de grootte is niet allesbepalend.”

Maar dat is nu juist de klacht van veel burgers: grotere stallen leiden tot grotere risico’s.
”De onderzoeken die wij nu kennen, wetenschappelijke onderzoeken, wijzen er niet op dat dit soort zaken alleen maar afhankelijk zijn van de grootte van de stallen. Integendeel, er is juist aangetoond dat vernieuwende stallen bijvoorbeeld minder fijn stof uitstoten. En die zijn meestal groter.”

Dus geen regels voor maximale stal- of bedrijfsgrootte, zoals bijvoorbeeld de Partij voor de Dieren en Groenlinks willen?
”Nogmaals, het gaat niet om het begrip megastal. Als aan de genoemde voorwaarden wordt voldaan, en de bedrijven zijn ruimtelijk in te passen, bestaan er wat de VVD betreft geen belemmeringen voor grote stallen.”

Ondertussen heeft dit wel effect op het imago van de sector.
”Het is daarom goed dat boeren laten zien waar zij mee bezig zijn; je kunt je tegenwoordig niet meer terugtrekken en verschuilen. Ik denk dat de sector op goede weg is met bijvoorbeeld open dagen of zichtstallen, maar het moet nog wel beter. Ik ben ervan overtuigd dat dit uiteindelijk effect zal krijgen en het imago beter wordt.”

Of registreer je om te kunnen reageren.