Redactieblog

204 x bekeken

Nieuw landbouwbeleid verdeelt lidstaten EU

Eerlijker, groener en concurrerender. Dat zijn de belangrijkste uitgangspunten van het nieuwe GLB. De Europese Commissie en het Europees Parlement hebben de piketpaaltjes geslagen, maar tussen de nationale parlementen lopen de meningen sterk uiteen.

De ontwikkeling van het nieuwe Europees gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) is in volle gang. In 2014 gaat het nieuwe beleid gelden.

De Europese Commissie en het Europees Parlement hebben hun visie op het nieuwe beleid inmiddels gepresenteerd. Deze week konden ook vertegenwoordigers van de nationale parlementen van de 27 lidstaten reageren.

Het nieuwe landbouwbeleid van de EU moet ervoor zorgen dat de voedselzekerheid wordt gegarandeerd, met aandacht voor kwaliteit, kwantiteit en diversiteit van de producten. Boeren en tuinders moeten een toekomst houden in Europa; ze moeten een boterham kunnen verdienen én kunnen concurreren met anderen. Daarnaast moet het GLB ervoor zorgen dat het platteland goed wordt beheerd, met zorg voor water en bodem.

Polen is op dit moment voorzitter van de EU. Jerzy Chróscikowski, voorzitter van de Poolse senaatscommissie voor landbouw, hoopt tijdens het Poolse voorzitterschap te komen tot een sterk landbouwbeleid, dat eerlijk en rechtvaardig is voor alle boeren in de Europese Unie. ”Maar daarnaast moet het ook eerlijk zijn voor burgers en consumenten”, benadrukt Chróscikowski. Hij vindt dat de landbouwsteun goed moet kunnen worden uitgelegd aan de burgers. ”Boeren produceren niet alleen voedsel, ze dragen ook zorg voor het platteland.”

Hoewel het budget voor het landbouwbeleid de komende jaren gelijk blijft op 372 miljard euro per jaar, is er over de verdeling nog geen knoop doorgehakt. Chróscikowski vindt dat het geld eerlijker verdeeld moet worden over de boeren en tuinders. ”De opbouw van de premie moet niet langer gebaseerd worden op historie, maar op objectieve criteria en op doelstellingen van het GLB”, vindt de Pool. De premies moeten zodanig worden verdeeld dat boeren binnen Europa eerlijk met elkaar kunnen concurreren.”

Hij legt daarmee de vinger gelijk op de zere plek: tijdens het debat blijken de oude en nieuwe lidstaten sterk van mening te verschillen. Door de historie krijgen boeren in West-Europa aanzienlijk meer steun dan de boeren in Oost-Europa. Logischerwijs willen de Oost-Europese lidstaten dit verschil zo snel mogelijk opheffen. De oude lidstaten zullen hierdoor een fors deel van hun budget gaan verliezen. Een woordvoerder van het Duitse parlement: ”De inkomens van onze boeren wordt voor 60 procent bepaald door de Europese premies. Dat kan ze niet opeens afgenomen worden. Wel kunnen we extra eisen voor vergroening stellen voor de premie. Daardoor heeft de burger er ook profijt van.”

De landbouwbedrijven in Tsjechië hebben een gemiddelde omvang van 77 hectare per bedrijf, het grootst in Europa. ”Om bij te dragen aan een duurzaam gebruik van landbouwgrond en om de strijd met de klimaatverandering aan te kunnen gaan, moeten we de steun baseren op bedrijfsomvang”, zegt de Tsjech Antonin Mastalir. Hij pleit voor 80 procent van het budget naar directe inkomenssteun en 20 procent naar de tweede pijler voor plattelandsontwikkeling. Frankrijk vindt het belangrijk dat er voor boeren in moeilijke gebieden, zoals in de bergen, extra steun beschikbaar blijft. Ze krijgt hierin steun van Finland.

Letland vindt dat het verschil tussen de oude en nieuwe lidstaten al in 2014 moet worden rechtgetrokken, in plaats van het voorgenomen 2016. Bulgarije stelt het sterker. ”Alle burgers in de EU worden gelijk behandeld. Dus alle Europese boeren moeten dus ook gelijk behandeld worden”, vindt de woordvoerder van Bulgarije. Malta benadrukt dat het niet alleen een eerlijk systeem moet zijn, maar dat ook jonge boeren extra ondersteund moeten worden. ”De steun moet bovendien stimuleren tot investeringen in behoud van natuur en bescherming van het milieu”, vindt Philip Mifsud van het Maltese parlement.

De discussie over vergroening is ook nog niet gelopen. Edmundas Pupinis uit Litouwen vindt dat er wel erg veel nadruk op vergroening van de landbouw ligt. ”De productie van veilig voedsel is ook heel belangrijk. Extra eisen voor vergroening voor de directe inkomenssteun is niet genoeg gefundeerd, zeker niet in lidstaten waar de landbouwproductie nog niet op niveau is”, vindt Pupinis. Hij vindt dat de nieuwe lidstaten in deze voorwaarden worden benadeeld ten opzichte van de oude lidstaten.

Zijn landgenoot, Europarlementariër Zigmantas Balcystis, vreest dat de extra eisen juist zal leiden tot stoppende boeren, toename van de werkloosheid en verwaarlozing van het plattteland. Voor Oostenrijk en Luxemburg gaan de eisen voor vergroening weer niet ver genoeg.
Voor rapporteur Albert Dess, die namens het parlement een voorstel voor het nieuwe GLB schreef, zijn de verschillen tussen de lidstaten niet vreemd: als gevolg van honderden amendementen op het voorstel werd de stemming over het plan meermaals uitgesteld. ”Over concrete cijfers zijn we het ook niet eens geworden, gelukkig hebben we wel ruim 90 procent voorstanders voor de ingezette lijn.”

Dess vindt dat het beleid vooral ook Europese boeren moet stimuleren. ”In de laatste dertig jaar is de graanproductie in de EU met 1 procent gestegen, de vleesproductie met 6 procent. In de VS en in Azië steeg de productie veel meer. In Azië zelfs 385 procent. ”Als we nu met een schadelijk beleid komen voor onze boeren, doen we het niet goed”, aldus Dess.
Grünen-Europarlementariër Martin Häusling, net als Dess afkomstig uit Duitsland, staat hier lijnrecht tegenover. ”Een productietoename van 70 procent om bij te dragen aan de groeiende vraag naar voedsel wereldwijd? Daar moeten we het nog maar eens over hebben. De productie moet wel duurzaam zijn, met aandacht voor milieu en werkgelegenheid.”
Het debat over het nieuwe GLB loopt nog door. Commissaris Ciolos heeft aangegeven een tour langs de lidstaten te maken, voordat het definitieve plan wordt vastgesteld.

Foto

Of registreer je om te kunnen reageren.