Redactieblog

425 x bekeken 1 reactie

Eenvoud en evenwicht voorop in nieuw mestbeleid

Het mestbeleid gaat aanzienlijk veranderen. Staatssecretaris Henk Bleker presenteert in september zijn plannen. De sector tast nog in het duister hoe het nieuwe beleid eruit gaat zien. De wensen zijn divers en sterk afhankelijk van de regio’s en sectoren. Brabantse varkenshouders hebben andere belangen dan Friese melkveehouders. Welke kant gaat het op? Een overzicht van de opties.

In 2014 wordt een nieuw mestbeleid van kracht. De voorbereidingen voor het Vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn zijn in volle gang. Staatssecretaris Henk Bleker van landbouw komt in september met zijn voorstel. In mei kondigde Bleker aan dat het nieuwe systeem aanzienlijk anders wordt dan het huidige. Hij wil af van de productierechten, maar wel een mineralenevenwicht realiseren op bedrijfsniveau en op nationaal niveau.

Het nieuwe mestbeleid moet aan een reeks voorwaarden voldoen. Uiteraard moet het in de eerste plaats effectief zijn: het moet bijdragen aan de doelstelling om te komen tot een mineralenevenwicht, waarbij bemesting geen schade toebrengt aan het milieu. Daarnaast moet de wetgeving voldoen aan de EU-regelgeving. Basis hiervoor is de Nitraatrichtlijn van 50 milligram nitraat per liter grondwater. Deze norm wordt in grote delen van het land inmiddels gehaald. Maar in de veedichte gebieden op de zandgronden wordt deze norm nog niet gehaald.

Verder moet het nieuwe beleid worden goedgekeurd door Brussel. Nederland wil de derogatie voor de extra bemestingsruimte graag behouden. De ruimere norm van 250 kilo stikstof per hectare uit dierlijke mest, in plaats van de standaardnorm van 170 kilo, is van groot belang voor de Nederlandse veehouderij.

Ook wil het ministerie in het kader van de administratieve lastenverlichting een robuust systeem. De mestboekhouding moet eenvoudig zijn. Daar komt bij dat het sys-teem goed te controleren en te handhaven moet zijn. Dat bleek in het verleden niet altijd even makkelijk, gezien de reeks voorbeelden van mestfraude.

De basisbestanddelen voor het nieuwe actieprogramma zijn het voerspoor, mestverwerking en mestbewerking, en de mineralenkringloop. Via het voerspoor moet voorkomen worden dat er onnodig veel mineralen worden geproduceerd, onder het motto ’wat er niet in gaat, hoeft er ook niet af’. Door het fosfaatgehalte in het veevoer te verlagen, scheiden de dieren ook minder fosfaat uit. Aan deze verlaging kleven ook nadelen: het zal de kosten van veevoer verhogen en bij een te laag fosfaatgehalte kan het de groei en de gezondheid van vee belemmeren. LTO Nederland en diervoerorganisatie Nevedi hebben afgesproken dat er voor 2013 20 miljoen kilo fosfaat minder geproduceerd moet worden door verlaging van het fosfaatgehalte in het voer. Dit doen ze door voor de varkenshouderij een streefwaarde voor benutting van fosfaat in te stellen. Deze kan behaald worden door gebruik van voer met een lager fosfaatgehalte, maar ook door managementaanpassingen.

Voor rundvee wordt het fosfaatgehalte in mengvoer en droge en natte voeders met 10 procent verlaagd. Melkveehouders die gebruikmaken van het systeem van bedrijfsspecifieke excretie (BEX) kunnen bovendien financieel voordeel halen uit een lagere fosfaataanvoer. Vooralsnog zijn de afspraken over vermindering van fosfaat via het voerspoor op basis van vrijwilligheid. Wanneer het niet tot resultaat leidt, zal het via productschapverordeningen verplicht worden gesteld. De verwachting is dat deze fosfaatvermindering via het voerspoor vanaf 2014 ook opgenomen wordt in de nieuwe mestwetgeving.

Mestverwerking is een tweede belangrijke pijler van het nieuwe mestbeleid. Ervaringen uit het verleden leren dat vrijwillige mestverwerking weinig succesvol is. Vanuit LTO Nederland is ook aangegeven dat bedrijven die zelf onvoldoende plaatsingsruimte hebben verplicht mest moeten gaan verwerken. De dierlijke mest moet hierbij verwerkt worden tot producten die makkelijker zijn af te zetten in de akkerbouw, of buiten de Nederlandse landbouw.

De verplichte mestverwerking, die mogelijk al voor 2014 wordt ingevoerd, moet in gebieden waar de nood het hoogst is ook het meest worden ingezet. Dit zal tot gevolg hebben dat varkenshouders in Oost-Brabant meer mest moeten gaan verwerken dan varkenshouders in Groningen. Bij het verplicht stellen van mestverwerking moet zo efficiënt mogelijk worden gewerkt. Dit kan betekenen dat sommige varkenshouders alle mest laten verwerken, terwijl andere vrijwel geen mest zullen verwerken. In het mestplan van LTO wordt dit ondervangen met behulp van mestverwerkingscertificaten. Hiermee kan een veehouder bewijzen dat hij investeert in mestverwerking.

Deze werkwijze past goed in de doelstelling van Bleker om productierechten en dierrechten af te schaffen: de mestproductie wordt hiermee de beperkende factor voor de omvang van een bedrijf. Voor de intensieve veehouderij zal dit neerkomen op mestverwerking en afzet van mest buiten de Nederlandse landbouw. Voor de melkveehouderij wordt meer naar grondgebondenheid gekeken.
Voor de melkveehouderij kan gedacht worden aan een norm van een maximaal aantal dieren per hectare. Gedacht wordt aan 2,5 tot 3 koeien per hectare. Dit is een robuust en duidelijk systeem. Melkveehouders kunnen hierop inspelen door te zorgen dat er voldoende grond onder hun veestapel ligt. In buurlanden, zoals in Denemarken, geldt ook een dergelijk systeem.

Tegelijkertijd zou een platte norm van een maximaal aantal koeien per hectare onlogisch zijn. De stimulans om bijvoorbeeld via het voerspoor minder mineralen te benutten is dan weg. Critici zeggen zelfs dat het averechts werkt: bij een starre norm is het juist aantrekkelijk om koeien zoveel mogelijk te voeren waardoor het land maximaal bemest kan worden en meer ruwvoer oplevert. Dit druist weer in tegen de doelstelling om zo efficiënt mogelijk met mineralen om te gaan. Bij deze discussie is duidelijk verschil te zien tussen boeren in veedichte en vee-arme gebieden. Deze laatste groep heeft niet veel met maatwerk en ziet graag een robuust systeem van aantal koeien (GVE’s) per hectare.

Bij het optimaal benutten van mineralen speelt verwerking van mest tot mineralenconcentraat een belangrijke rol. Als bewerkte dierlijke mest als kunstmestvervanger kan worden aangemerkt, is het mineralenprobleem in Nederland veel kleiner. Het gebruik van bewerkte mestproducten kan ook een stimulans zijn bij efficiënt bemesten en zal ervoor zorgen dat er minder kunstmest wordt gebruikt. Door te spelen met een werkingscoëfficiënt, (voor drijfmest 45 procent, voor kunstmest 100 procent) kan een veehouder mineralen efficiënter inzetten. Hierdoor zou een veehouder meer mest op eigen land kunnen benutten dan met een standaardnorm van 2,5 of 3 GVE per hectare. Met name in mestoverschotgebieden spreekt een dergelijke werkwijze wel aan.

Voor de akkerbouw lijkt er in het nieuwe mestbeleid weinig te veranderen: het systeem met gebruiksnormen wordt naar verwachting gehandhaafd. Omdat er waarschijnlijk meer mest wordt verwerkt, komen er wel meer producten op de markt waarmee grond en gewassen bemest kunnen worden.

Tienpuntenplan van CDA, VVD en PVV

1. Grondgebonden mestbeleid met mineralen gekoppeld aan grond, zonder dierrechten
2. Vermindering mineraleninput via voerspoor
3. Geen kunstmestgebruik meer in de veehouderij, maar mineralenconcentraten
4. Verplichte mestverwerking of investering in mestverwerking
5. Export dierlijke mest stimuleren door belemmerende regels weg te nemen en meer in te spelen op de vraag
6. Milieukwaliteit centraal stellen en niet alleen kijken naar kilo’s mineralen
7. Flexibele bemestingsnormen naar
opbrengst, onttrekking en bodemvruchtbaarheid
8. Jaarrond toepassen van bodemver-beteraars toestaan
9. Dubbele Europese richtlijnen schrappen
10. De ruimte die Europa biedt maximaal benutten, bijvoorbeeld met het aanwijzen van kwetsbare gebieden en de meetdiepte voor nitraat in het grondwater.

Evenwichtsbemesting

Evenwichtsbemesting is niet nieuw. Al in 1989 was dit doel van het beleid. De doelstelling was dat er in 2000 voor de totale landbouw evenwichtsbemesting van stikstof en fosfaat zou zijn. Toenmalig landbouwminister Gerrit Braks waarschuwde dat boeren hun veestapel moesten inkrimpen als ze niet konden aantonen dat ze de mest verantwoord afzetten. In 1995 steggelden de toenmalige ministers van landbouw (Jozias van Aartsen) en milieu (Margreeth de Boer) over voortgang van het beleid, het tempo waarin de sector aan nieuwe eisen moest voldoen en inkrimping. Uiteindelijk werd, na een dreigende politieke crisis, besloten af te zien van evenwichtsbemesting in 2000. Het mestbeleid werd gebaseerd op een mineralenaangiftesysteem (Minas), waarbij regels voor het uitrijden van mest werden aangescherpt. Het lijkt erop dat ruim vijftien jaar later evenwichtsbemesting weer een prominente rol gaat spelen in het mestbeleid.

Foto

Eén reactie

  • no-profile-image

    Jan LUL

    En ik maar denken dat we een ROBUUST systeem hadden.

Of registreer je om te kunnen reageren.