Redactieblog

214 x bekeken

Grote consumptie van eiwitten in EU

De veehouderij staat onder druk. Voor het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) was dit de aanleiding om de effecten van de veehouderij in Europa in beeld te brengen.

De conclusie: de veehouderij heeft een nadelig effect op het milieu via de uitstoot van broeikasgassen, vermindering van de biodiversiteit en voor de volksgezondheid.

PBL voorziet dat er maatregelen moeten worden genomen. Een concrete doelstelling stelt PBL daarbij niet. ”Maar vaststaat dat de consumptie van dierlijke eiwitten de komende jaren zal toenemen. De negatieve effecten van de productie van vlees en zuivel zullen daardoor ook toenemen als er geen maatregelen worden genomen”, zegt directeur Maarten Hajer van het planbureau.

De consumptie van eiwitten is in Europa twee keer zo groot als het mondiale gemiddelde. De Europese consument eet gemiddeld 70 procent meer eiwit dan het lichaam nodig heeft. Meer dan de helft is hiervan afkomstig van dierlijk eiwit.

De verwachting is dat de Europese consumptie van dierlijke eiwitten de komende jaren nog eens 10 procent zal toenemen. ”Dat komt vooral door een toename van welvaart in de Oost-Europese landen”, zegt Westhoek.

Frankrijk, België en Luxemburg en Denemarken zijn de koplopers als het gaat om consumptie van verzadigde vetten. Nederland staat op een negende plaats met ongeveer 14 kilo verzadigde vetten per persoon per jaar, vijf kilo boven het Europese gemiddelde van 9 kilo.

De EU kent daarnaast een zelfvoorzienende veehouderijsector. Alleen qua rund- en kalfsvlees wordt er minder geproduceerd dan geconsumeerd.

De varkensvleesproductie ligt tegelijkertijd ruim boven de Europese consumptie. De productie van granen is ook ruim voldoende voor de EU. De productie van plantaardige eiwitrijke producten, vooral soja, ligt met ruim 20 procent van de benodigde hoeveelheid ruim onder de zelfvoorzienendheid. Buiten Europa wordt 12 miljoen hectare soja verbouwd voor de Europese markt.

In Europa wordt tweederde van het landbouwareaal benut voor de veehouderij. Het gaat dan vooral om grasland, maar ook op de helft van het akkerbouwareaal worden producten verbouwd die bestemd zijn voor de veehouderij. Melkvee is daarbij dominant: daarvoor wordt ongeveer 52 miljoen hectare grond in Europa gebruikt. Vleesrunderen leggen beslag op ongeveer 37 miljoen hectare grond en de varkenshouderij op ongeveer 22 miljoen hectare, net iets meer dan de schapen- en geitenhouderij. Voor pluimvee wordt ongeveer 15 miljoen hectare benut. De voedingsakkerbouw gebruikt ongeveer 55 miljoen hectare landbouwgrond in Europa.

Ook op het gebied van uitstoot van broeikasgassen scoort de rundveehouderij het hoogst: Vleesvee en melkvee produceren gezamenlijk ongeveer 370 miljoen ton CO2-equivalent. Dat is vele malen meer dan de varkenshouderij (ruim 75 miljoen ton CO2-equivalent) en de andere sectoren: schapen en geiten produceren ongeveer 42 miljoen ton CO2-equivalent en pluimvee ongeveer 30 miljoen ton. Bij deze cijfers is in alle gevallen de productie van het benodigde veevoer meegerekend.

PBL acht maatregelen noodzakelijk om de negatieve effecten voor milieu, landschap en volksgezondheid te verminderen. Het draagt daarvoor drie mogelijkheden aan: consumptieveranderingen, efficiënter produceren of produceren met minder lokale impact.
Efficiënter produceren kan vooral door hogere opbrengsten, betere voederconversies en minder verliezen in de voedselketen. Het produceren met minder impact bestaat vooral uit het verduurzamen van de veehouderij door minder lokale milieudruk, beter dierenwelzijn en het bieden van publieke diensten.

Op het gebied van consumptieverandering is in Europa nooit regelgeving geweest. Het innoveren en verduurzamen van de veehouderij kan volgens directeur Maarten Hajer van PBL het beste via het gemeenschappelijke landbouwbeleid, dat aan de vooravond staat van een herziening. De aanpassingen zullen wel extra kosten voor de producenten met zich mee brengen, terwijl de inkomens al laag zijn, voorziet Hajer. ”De EU kan bijdragen aan de oplossing van dit dilemma door boeren en vissers te helpen de omslag te maken naar een meer duurzame productie van vlees, vis en zuivel met een hogere toegevoegde waarde. Supermarkten zouden dan bereid moeten zijn om deze producten aan te bieden en consumenten moeten bereid zijn de producten te kopen tegen bijbehorende hogere prijs. Hoeveel hoger deze prijs is, hangt af van het ambitieniveau”, aldus PBL.

Foto

Of registreer je om te kunnen reageren.