146 x bekeken

Agrarisch natuurbeheer vraagt samenwerking en strengere aanpak

Agrarisch natuurbeheer is hard nodig, maar het effect ervan valt nog tegen. Geert de Snoo pleit daarom onder meer voor gebiedsgericht werken, samenwerking en een strengere aanpak.

Een groot aantal hoogleraren stuurde vrijdag 15 april een open brief aan het kabinet-Rutte. Onderwerp: de voorgenomen bezuinigingen op de Nederlandse natuur. Als het aan het kabinet ligt, stelt het de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur uit en schrapt het verdere robuuste verbindingszones tussen natuurgebieden. Wel zou het kabinet willen doorgaan met natuurbeheer op het boerenland.

Dat is ook hard nodig. Met de natuur in de natuurgebieden gaat het op veel plaatsen weer beter, maar de natuur van het boerenland staat nog steeds onder druk. Planten, insecten en vogels gaan op onze akkers en graslanden achteruit. De belangrijkste oorzaak is de nog steeds voortgaande intensivering van onze landbouw.

Nederland speelt een belangrijke rol in de mondiale voedselproductie. Ons land is – na de VS – de grootste exporteur van agrarische producten. Maar gelijktijdig met het stimuleren van de hoge productie proberen we – in Nederland en binnen Europa – de achteruitgang van de natuurwaarden op het boerenland te stoppen. In ons land krijgen boeren al jaren een vergoeding om de natuur te helpen. De effectiviteit van deze vorm van natuurbeheer ligt echter onder vuur.

Onderzoek laat zien dat de natuur op percelen met agrarisch natuurbeheer nauwelijks afwijkt van percelen waarop geen maatregelen zijn genomen. Dat stellen ook de hoogleraren in hun brief aan het kabinet.

Om te komen tot een daadwerkelijk effectief agrarisch natuurbeheer zal dit beheer allereerst gebiedsgericht moeten worden ingezet, uitgaande van de nog aanwezige natuur op het boerenland én daarbuiten (in wegbermen, recreatiegebieden, reservaten, enzovoort). Eén boer maakt geen natuur. Voor het behoud van natuurwaarden is het huidige percentage van 2 tot 3 procent aan half-natuurlijke elementen op een landbouwbedrijf, zoals slootkanten en akkerranden, veel te weinig. Als ook buiten het landbouwgebied nauwelijks natuur aanwezig is, werkt – het veelal kleinschalige – agrarisch natuurbeheer vrijwel zeker niet.

Het herstel van de grauwe kiekendief in Groningen laat zien wat een grootschalige, gebiedsgerichte aanpak vermag. Door het extensief beheren van brede akkerranden in een groter gebied, kregen bovendien andere soorten zoals de veldleeuwerik weer een kans, terwijl deze soort elders sterk achteruitgaat.

Ten tweede moet het agrarisch natuurbeheer op de juiste plaats worden ingezet. Zo blijkt botanisch beheer van slootkanten in Zuid-Holland op de meeste plaatsen nauwelijks effectief: er zijn geen verschillen tussen slootkanten met en zonder agrarisch natuurbeheer. Worden deze maatregelen op het boerenland echter in de nabijheid van reservaten genomen, dan neemt de plantensoortenrijkdom wel toe (zie figuur).

Ook voor onze weidevogels lijkt een aanpak met verregaande maatregelen in ’kerngebieden’ onontbeerlijk. Door een gebiedsgericht opgezet beheer in reservaten en op boerenland kan voor de weidevogelkuikens en de oudervogels worden voorzien in de basisbehoeften zoals bescherming van de nesten, voedsel en dekking.

Om agrarisch natuurbeheer effectief te laten zijn, zullen natuurbeschermingsorganisaties, agrarische natuurverenigingen en overheden binnen een gebied intensief moeten samenwerken. Samen, en veel strenger dan nu gebeurt, zullen zij moeten bepalen waar en wanneer welk beheer moet worden uitgevoerd. Een gevolg kan zijn dat niet alle boeren dan meer in aanmerking komen voor deelname, en ook reservaatbeheerders zullen hun beheer moeten aanpassen.

Daarnaast moeten we naar andere instrumenten kijken om het agrarisch natuurbeheer te stimuleren. Nu wordt ingezet op ingewikkelde stelsels van subsidies met tal van spelregels, formaliteiten en bureaucratische rompslomp. Deze aanpak, met jaarlijkse subsidies, appelleert nauwelijks aan het vakmanschap en de trots van de boer. Als de subsidie stopt, worden extensief beheerde randen dan ook weer omgezet in intensief aardappelland. Verinnerlijking van natuurbeheer wordt niet met euro’s alleen bereikt.

Om tot duurzame veranderingen in de boerenbedrijfsvoering te komen, zullen subsidies veel meer moeten aansluiten bij de motivatie van boeren zelf. Wordt het huidige geld niet beter besteed aan die boeren die hun bedrijf als geheel willen omvormen ten dienste van natuur en landschap? Een investering, in plaats van een subsidie, die het mogelijk maakt een bedrijf op andere leest te schoeien, met andere dieren, gras of gewas?

Een vergelijkbaar systeem kennen we al voor bedrijven die willen overschakelen op een ecologische bedrijfsvoering. Dat is veel toekomstgerichter, haakt aan bij de ondernemingsgeest van moderne ’agrarisch ondernemers’ en komt tegemoet aan de wensen vanuit de Nederlandse samenleving. Tenslotte willen we naast voedselproductie toch ook een platteland dat aantrekkelijk is om te wonen, te werken en te ontspannen.

Geert de Snoo is hoogleraar agrarisch natuur- en landschapsbeheer aan Wageningen Universiteit.

De Tweede Kamer vergadert 21 april over de Ecologische Hoofdstructuur.

Foto

Of registreer je om te kunnen reageren.