Redactieblog

427 x bekeken

Verkoop bosgrond aan aandeelhouder is uitdeling

Een directeur-grootaandeelhouder van een bv verkoopt een perceel bosgrond van zijn bv voor een te lage prijs aan zichzelf. Volgens het gerechtshof Arnhem is er sprake van een uitdeling. Omdat het echter onzeker is dat er op het perceel woningbouw kan plaatsvinden verminderd de rechter de te hanteren waarde voor het perceel fors.

Kort samengevat is de uitspraak van Hof Amsterdam de volgende:

Belanghebbende, X, is directeur-grootaandeelhouder van A BV die op zijn beurt alle aandelen houdt in B bv, welke bv een verkeersschool exploiteert. Tot het vermogen van A bv behoort een perceel bosgrond waarop X al decennia lang een bedrijfswoning wil laten bouwen. Vanaf medio 1999 veranderen de vooruitzichten in positieve zin en anticipeert X op de afgifte van een bouwvergunning.

Eind oktober 2009 doet X een aanbetaling voor de aankoop van een houtskeletwoning en op 26 november 1999 wordt bij notariële akte het bosperceel door A bv aan X geleverd voor 8.750 gulden (3.970 euro). Rijkstaxateur H taxeert het perceel - naar de waarde op 1 november 1999 - op 145.000 euro en collega J later op 50.000 euro. De inspecteur is van mening dat de verkoop van het perceel aan haar aandeelhouder voor een te lage prijs een verkapte uitdeling is en legt X een navorderingsaanslag met boete op. Rechtbank Arnhem houdt de navorderingsaanslag in stand, waarna X in hoger beroep gaat.

Hof Arnhem acht het voor de bepaling van de waarde van belang dat op de dag van de overdracht van het perceel een grote kans, maar geen volledige zekerheid, bestaat dat de bouwvergunning en de vrijstelling van het bestemmingplan binnen korte tijd zullen worden verleend. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat X niet kan aangeven waarom nu juist op 26 november 1999 het perceel is overgedragen. Omdat de rijkstaxateur bij zijn waardebepaling wel van 100 procent zekerheid is uitgegaan, is de taxatie van 50.000 euro te hoog.

Het hof berekent de waarde in het economische verkeer op 13.066 euro en oordeelt dat zowel A bv als X zich er bij de verkoop van het perceel van bewust moeten zijn geweest dat X werd bevoordeeld met het verschil tussen de waarde in het economische verkeer en de overeengekomen prijs. Het hof vermindert de boete in verband met de samenloop met de vergrijpboete die aan A bv is opgelegd en in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Het hof verklaart het beroep van X vervolgens gegrond.

Meer informatie: Hof Arnhem 18 januari 2001, nummer 10/00099

Of registreer je om te kunnen reageren.