Redactieblog

292 x bekeken

'Alles uit de kast tegen het voedselprobleem'

925 miljoen mensen lijden honger. Dat is een op de zes van mensen in de wereld. ”Het is de verantwoordelijkheid van de hele wereld op dit probleem op te lossen”, vinden de Amerikaanse diplomaten Jonathan Shrier en Ertharin Cousin, die zich richten op voedselzekerheid.

Het wereldvoedselvraagstuk heeft sinds de recente voedselcrisis in 2007 veel aandacht. President Barack Obama heeft voedselzekerheid als een van de prioriteiten op de agenda gezet. De Verenigde Staten zijn de grootste donor van voedselhulp ter wereld. ”Het gaat veel verder dan alleen financiële steun. Het is ook belangrijk dat deze steun goed wordt ingezet, om de agrarische standaard in ontwikkelingslanden te verhogen”, aldus Jonathan Shrier, speciale vertegenwoordiger voedselzekerheid namens de Verenigde Staten.

Progressie
Shrier is vooral tevreden over de resultaten die de laatste jaren geboekt zijn in bijvoorbeeld Ghana en Tanzania. Shrier zegt dat er ook in de Hoorn van Afrika veel progressie is. ”De droogte in dit gebied is de ergste in vijftig jaar. Er zijn veel mensen in acuut gevaar. Maar ten opzichte van de vorige droogte, in de jaren 80, is de situatie sterk verbeterd. Nu hebben minder dan vijf miljoen mensen voedselhulp nodig. In de jaren 80 waren dat nog 40 miljoen mensen. Dat is vooral te danken aan verbeteringen van de landbouwstructuur.”

De verbetering van de landbouwstructuur wordt door het Wereldvoedselprogramma onder andere ondersteund door de introductie van betere zaaizaden. ’In droge gebieden is belangrijk om soorten te telen die minder droogtegevoelig zijn”, geeft Shrier als voorbeeld.

Ertharin Cousin, de Amerikaanse ambassadeur bij de agentschappen van de Verenigde Naties (VN) in Rome zegt dat het ook belangrijk is dat de kwaliteit van de producten verbeteren. ”Het moet niet alleen om het gewas gaan, maar ook om de voedingswaarde van de gewassen. Er moeten hoogwaardig voedsel met goede voedingsstoffen worden geproduceerd en niet slechts vulling voor de maag.” Daarnaast is er aandacht voor een betere logistiek. ”Dat kan door verbetering van het fysieke wegenstelsel, maar ook door verbetering van de afzetmogelijkheden en marketingstrategieën”, aldus Cousin.

Lokale bevolking
De verbetering van de landbouwstructuur in ontwikkelingslanden moet volgens Shrier en Cousin in samenwerking met de lokale bevolking. ”De landen en de lokale bevolking moet het zelf opzetten en daar moeten wij ondersteuning aan bieden. Hierbij moet niet alleen worden samengewerkt met de overheid, maar zeker ook met private bedrijven.” Shrier benadrukt dat als dit goed gebeurt, er op termijn geen hulp bij de ontwikkeling van de landbouw meer nodig is.

Een voorbeeld van deze werkwijze van het wereldvoedselprogramma van de VN is het project Purchase for Progress (P4P), dat gericht is op een betere afzetstrategie van lokale boeren. Via het project kunnen boeren in ontwikkelingslanden investeren in een betere opslag voor hun producten. ”Daardoor hebben ze langere tijd de mogelijkheid om hun product te verkopen, waardoor ze kunnen wachten tot ze een betere prijs voor hun product ontvangen. Het P4P-project koopt in geval van gebrek aan particuliere afnemer de gewassen alsnog op. Hiermee zijn de boeren gegarandeerd van een afnemer en van een goede prijs. Hierdoor kan de ondernemer zijn bedrijf verder ontwikkelen”, aldus een enthousiaste Cousin.

Voedselhulp
Noodhulp in de vorm van voedselhulp blijft nodig als er geen of te weinig voedsel is. ”Voedselhulp is een middel, geen doel. Als er wel voedsel is, moeten we ervoor zorgen dat het ook beschikbaar is voor de bevolking”, benadrukt Cousin. ”We zouden allemaal graag zonder dit middel werken. Maar het is niet realistisch dat er nooit meer voedselhulp nodig is. Kijk maar naar de huidige situatie in de Hoorn van Afrika”, aldus Shrier. Door een beter systeem van tijdige waarschuwing kan de hulp wel sneller ingezet worden, waardoor er minder grootschalige hulp nodig is. ”Als je de problemen ziet aankomen, kun je ervoor zorgen dat je een goede positie inneemt voor regionale hulp.”

Toegang tot de getroffen regio’s speelt daarbij een doorslaggevende rol. In Somalië is het bijvoorbeeld door toedoen van de Islamitische terroristische organisatie Al-Shabaab vrijwel niet mogelijk om de slachtoffers te helpen. Het is te gevaarlijk voor hulpverleners. ”De organisatie moet tegen gehouden worden, zodat er wel hulp kan worden geboden”, vindt Shrier. ”Een stabiele regering is van essentieel belang voor het bieden van hulp en het ontwikkelen van de landbouw.”

De Verenigde Staten proberen de voedselhulp zoveel mogelijk lokaal in te kopen. Dit blijkt echter een moeilijke afweging. ”Je wilt de lokale productie ondersteunen, dus het is van belang dat er afzet is. Als de VN voedsel inkoopt, mag dit echter niet leiden tot hogere voedselprijzen in dat gebied, waardoor de allerarmsten daar geen voedsel meer kunnen kopen. Als de voedselprijs wel stijgt, hebben wij het niet goed gedaan.” Ook moet de afweging gemaakt worden tussen iets duurder Afrikaans voedsel en goedkoop Amerikaans voedsel, waarmee meer mensen kunnen worden gevoed.

Rol Nederland
De Amerikanen wijzen erop dat Nederland een significante rol speelt in de stimulans voor ontwikkeling van de landbouw in ontwikkelingslanden. Dat is volgens Cousin niet alleen sinds Nederland de focus bij ontwikkelingshulp legt op agrarische ontwikkeling, maar ook daarvoor al was Nederland een belangrijke partner op dit vlak.

Om in 2050 de wereldbevolking van 9,5 miljard mensen te kunnen voeden, moet de agrarische productie met 70 procent stijgen. ”Dat halen we niet als we niet alles uit de kast halen”, zegt Shrier. Hij wijst erop dat met name technologische ontwikkelingen hierbij een grote rol spelen. ”We hebben betere zaden nodig in verband met de klimaatveranderingen. Genetische modificatie speelt hierbij een belangrijke rol. Met deze moderne techniek kunnen rassen veel sneller ontwikkeld worden dan op de traditionele manier.”

Genetische modificatie
Cousin vindt de terughoudendheid van Europa als het gaat om genetische modificatie niet terecht. ”Het is veilig. We hebben wereldwijd de verantwoordelijkheid om alles te doen wat mogelijk is om de voedselproductie te verhogen.” Ook de productie in de Verenigde Staten en Nederland kan daar een bijdrage aan leveren. In de Verenigde Staten doen we dat ook, maar we kunnen daarmee alleen het probleem niet oplossen. De groei moet echt wereldwijd gebeuren.”

Shrier en Cousin zien dat naast de projectmatige hulp ook steeds meer bedrijven investeren in ontwikkelingslanden. Dit juichen ze toe. ”Kijk bijvoorbeeld naar Pepsico. Zij investeren eerst in lokale productie, met als doel om uiteindelijk ook voor de internationale markt te produceren. ”De drijfveer van deze bedrijven gaat verder dan alleen sociale belangen. Ze zien ook economische kansen vanwege de vele potentiële klanten in het gebied en de goede productiemogelijkheden”, aldus Cousin. Ze wijst erop dat het wel tijd kost om dit te ontwikkelen. ”Maar uiteindelijk zit de economische groei voor een groot deel in de ontwikkelingslanden.”

Foto

Of registreer je om te kunnen reageren.