Redactieblog

154 x bekeken

Familiebedrijf als antwoord op megastallendiscussie

Grootschalige veehouderij, kan het nu wel of niet? Over die vraag buigen studenten van de Christelijke Agrarische Hogeschool in Dronten zich tijdens een debat over megastallen.

Staatssecretaris Henk Bleker van landbouw is er duidelijk over: hij ziet grootschalige bedrijven, bijvoorbeeld megabedrijven onder leiding van Chinezen, niet zitten. Bleker pleit voor familiebedrijven die makkelijk kunnen worden overgedragen op de volgende generatie. De bedrijven moeten goed inpassen in de omgeving.

Maarten Rooijakkers, ZLTO- vakgroepvoorzitter varkenshouderij, is ook voorstander van behoud van het familiebedrijf. “In Nederland kun je niet onbeperkt groeien. Hier wonen veel mensen op een relatief klein oppervlak. Je moet je stinkende best doen om ondernemersruimte te verdienen. Je moet zodanig ondernemen dat je omgeving trots is op jouw bedrijf”, vindt Rooijakkers. Hij constateert dat boeren in het verleden zijn vergeten te communiceren met burger. “De burger weet niet meer wat we doen.”

Klaas Breunissen van Milieudefensie vindt dat je als veehouder in Nederland niet op een eiland zit. “De klant wil een veilig product en een goede productiemethode. De ‘licence to produce’ staat zwaar onder druk. De burger is ongerust en boos over de veehouderij en dan met name over de effecten hiervan op de volksgezondheid en diergezondheid en dierwelzijn. Uit onderzoek blijkt dat een meerderheid van de burgers tegen megastallen is”, zegt Breunissen. “Het is zeker geen hype van de bevolking dat ze kritiek hebben op de veehouderij. De bezwaren zitten diep en die gaan niet over. De veehouderij moet veranderen.”

Breunissen vindt dat de vlees meer verantwoord moet worden geproduceerd, waarbij rekening wordt gehouden met dier, omgeving, milieu en natuur. “We willen een platteland met boeren die contact hebben met mensen. Het schrikbeeld is dat er geen boeren meer zijn op het platteland”, zegt de vertegenwoordiger van Milieudefensie.

Verantwoordelijker geproduceerd vlees mag ook duurder worden, stelt hij. “Vlees mag best een luxeproduct worden. De boer moet ook geld verdienen.”

Megastallen passen volgens milieudefensie niet in dit plaatje. “Die stallen kunnen wel heel efficiënt zijn, maar hoe meer dieren, hoe meer risico’s op dierziekten en hoe groter de risico’s voor de volksgezondheid. Ook wordt er dan meer mest op één plaats geproduceerd, wat ook onwenselijk is.”

Melkveehouder Jan van Weperen heeft volgens eigen zeggen een familiebedrijf, met 470 melkkoeien en 370 stuks jongvee. “We hebben dit bedrijf met familie en medewerkers. De grote stallen zijn de kastelen van het platteland”, vindt Van Weperen. Hij ziet de ‘vermaatschappelijking’ van de veehouderij als het zichtbaar maken van de landbouw voor de burger, op de manier waarop het twintig jaar geleden ging. “Dat wordt gewaardeerd en er is zeker een markt voor, voor vijftien tot twintig procent van de bedrijven. De overige bedrijven zullen toch productiebedrijven moeten worden”, vindt Van Weperen.

Bij de productiebedrijven moet volgens Van Weperen meer aandacht uitgaan naar de stal. “Stallenbouwers moeten creatiever worden. Het moet architectonisch beter in het landschap staan. Daarnaast is er veel winst te behalen op het gebied van dierwelzijn, milieu, diergezondheid, volksgezondheid en bijvoorbeeld duurzaam mineralengebruik.”

Ries Kock, voorzitter van de stichting leefbaar buitengebied Gelderland, vindt dat veehouders eerst de huidige rommel eens moeten opruimen, voordat ze aan uitbreiding van bedrijven denken. “In ons gebied is de WOZ-waarde van de huizen fors gedaald als gevolg van een varkensbedrijf dat heel veel stank veroorzaakt. Vanwege de regelgeving heeft de varkensboer zijn bedrijf verdubbeld en op de nieuwe stal maatregelen genomen om stank te beperken. Hiermee voldoet hij op basis van het totale bedrijf aan de stanknorm. De omgeving zit met de overlast”, zegt Kock.

Het verplaatsen van de intensieve veehouderij naar speciale bio-industrieterreinen is volgens Kock een oplossing. Bleker ziet dat niet zitten. “We moeten de band tussen boer en burger versterken. Als we dan anonieme gebouwen plaatsen op industrieterreinen waar vlees wordt geproduceerd, is de band met de burger weg. Als er voor veehouderij geen plaats meer is op het platteland, zijn we goed fout bezig”, zegt Bleker, die overigens als gedeputeerde in Groningen geen nieuwvestiging van veehouderijbedrijven wilde.

Veehouderij met een beperkte omvang lijkt voor zowel de veehouders zelf als voor maatschappelijke organisaties en burgerorganisaties de beste optie voor de toekomst van de veehouderij. Cruciaal is dat veehouders daarmee wel een boterham moeten kunnen verdienen. “Voor de deur van de supermarkt gaan liggen, of aankloppen bij de overheid heeft geen zin. Daarmee krijg je geen hogere prijzen. Onze vrienden van de maatschappelijke organisaties kunnen hier heel goed bij helpen. Het gaat om bewustwording van de consument”, aldus Rooijakkers.

Breunissen van Milieudefensie benadrukt dat de toekomst voor de veehouderij niet zit in schaalvergroting, maar in een betere prijs voor het product. “Wij willen wel tegen consumenten zeggen dat ze meer moeten betalen voor producten, om hiermee de veebedrijven van beperkte omvang te behouden.”

Foto

Of registreer je om te kunnen reageren.