Redactieblog

149 x bekeken

BV-constructie rundveehouder voor investering in Duitsland niet akkoord

Uitstel van belastingheffing over de verkoopwinst van het Nederlandse landbouwbedrijf is niet mogelijk. De rechtbank in Leeuwarden staat de aftrek van lijfrentepremies en de vorming van een winstrecht bij een “eigen” bv niet toe.

Kort samengevat is de uitspraak van rechtbank Leeuwarden de volgende:
B en zijn echtgenote exploiteren sinds 1994 in de vorm van een man-vrouw maatschap een rundveehouderij. Het echtpaar heeft 3 kinderen. De twee zoons ‘boerden’ destijds in Duitsland en woonden daar ook. Eind 2001 is besloten een bv op te richten en met deze een maatschap aan te gaan. In de voorovereenkomst is bepaald dat men de ondernemingsactiviteiten (gedeeltelijk) wenst te staken en deze (mede) te doen voortzetten door de op te richten bv. Eén van de zoons had in 2001 aangegeven dat hij onder voorwaarden het bedrijf in maatschapverband wilde voortzetten met het oogmerk dit ooit van zijn ouders over te nemen.

In geschil is of B in 2002 vanwege de omzetting van de door hem bij de inbreng van de activa in de bv behaalde winst in lijfrenten, premies voor lijfrenten in aanmerking kan nemen. In dit verband is vooral in geschil of die premies verschuldigd waren als tegenprestatie voor de overdracht van een (gedeelte van) een onderneming. Ook in geschil is of B de realisatie van overdrachtswinst behaald bij bedoelde inbreng (en voor zover niet omgezet in lijfrenten) kan uitstellen door middel van winstrechten.

De rechtbank wijst op de Hoge Raad 12 september 2003, nr. 37 427 en 7 mei 2010, nr. 2008/01890. Uitgaande van deze arresten beoordeelt de rechtbank eerst of kan worden gezegd dat de bv waaraan de premies voor lijfrenten zijn betaald (een gedeelte van) de onderneming van B en zijn echtgenote heeft overgenomen en voortgezet.

Volgens de rechtbank maakt B niet aannemelijk dat hij, zijn echtgenote en de bv bij de inbreng van de activa in de bv het voornemen hadden om de in Nederland gedreven onderneming in Duitsland samen met de zoon voort te zetten. Evenmin maakt B aannemelijk dat de bv de voorheen door hem en zijn echtgenote gedreven onderneming (gedeeltelijk) heeft overgenomen en voortgezet. De rechtbank is dan ook van oordeel dat op het inbrengmoment van de activa in de bv al vast stond dat de tot dan door B en zijn echtgenote gedreven onderneming op korte termijn zou worden beëindigd. Er is dan ook niet aannemelijk geworden dat het lichaam waarvan de lijfrenten zijn bedongen en waaraan de premies zijn betaald (de bv) de onderneming heeft overgenomen en voortgezet. De premies kunnen dan ook niet in mindering komen op het inkomen uit werk en woning.

De rechtbank verwerpt ten slotte ook de stelling van B dat de overdrachtswinst kan worden uitgesteld door middel van winstrechten.

Meer informatie: Rechtbank Leeuwarden van 28 december 2010 nr. 2009/00974

Of registreer je om te kunnen reageren.