Redactieblog

85 x bekeken

Gemeente maakt WOZ-waarde windturbines niet aannemelijk

Twee windturbines moeten voor de WOZ op hoofdlijnen zo gewaardeerd worden zoals de eigenaar het berekend heeft. De waardering van de gemeente is volgens het gerechtshof Arnhem niet juist.

Kort samengevat is de uitspraak van Hof Arnhem de volgende:

Belanghebbende, X bv, is eigenaar van twee windturbines uit 2002 met een capaciteit van 1,65 megawatt en een ashoogte van 67 meter. In geschil is de WOZ-waarde 2008 (waardepeildatum 1 januari 2007) van deze turbines. Rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde van € 1.753.000 verlaagd naar € 844.281. In hoger beroep verdedigt de gemeente een waarde van € 1.061.021 (rekening houdend met een werktuigenvrijstelling van primair 28,8% en subsidiair 36%). X bv bepleit een waarde van € 748.748 (werktuigenvrijstelling 57,4%).

Hof Arnhem oordeelt dat de door X bv verdedigde waarde voor de windturbines op hoofdlijnen moet worden gevolgd. De gemeente bepleit een werktuigenvrijstelling van 28,8% (primair) dan wel 36% (subsidiair). Haar primaire stelling baseert de gemeente op een overzicht van een turbine met een grotere ashoogte en haar subsidiaire standpunt baseert zij op de landelijke taxatiewijzers. Het hof acht beide percentages niet aannemelijk. Hoewel X bv het door haar verdedigde percentage evenmin voldoende heeft onderbouwd, geeft het hof toch de voorkeur aan dit cijfer. Het door X bv genoemde percentage is namelijk gebaseerd op een brief van de leverancier van de turbine die bij uitstek deskundig op dit terrein moet worden geacht. Het hof volgt de door X bv ingebrachte taxatie met uitzondering van de hoeveelheid grond. Het hof verklaart het incidentele beroep van X bv gegrond en verlaagt de waarde naar € 752.798. Het principale hoger beroep van de gemeente is ongegrond.

Meer informatie: Hof Arnhem, EK I, 9 november 2010, nummer 10/00139

Of registreer je om te kunnen reageren.