Redactieblog

113 x bekeken

Bedrijfsbeëindigingssubsidie melkveehouder onbelast

Een bedrijfsbeëindigingssubsidie voor een melkveehouder is onbelast.

De subsidie is volgens de Hoge Raad onderdeel van de verkoopopbrengst van grond. Daardoor valt de subsidie onder de werking van de landbouwvrijstelling. Kort samengevat is de uitspraak van de Hoge Raad de volgende:

De heer X drijft in maatschapsverband met zijn echtgenote een melkveehouderij. De onderneming is eind 2002 gestaakt. De grond is verkocht aan het Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL), in welk kader de maatschap een bedrijfsbeëindigingsubsidie heeft ontvangen van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

Diverse tot het ondernemingsvermogen behorende onroerende zaken, waaronder het woongedeelte en een inpandige schuur, zijn vanwege de staking overgebracht naar het privévermogen van X en zijn echtgenote. Rechtbank Leeuwarden oordeelt dat de subsidie geen onderdeel is van de koopsom en ook geen onbelaste vergoeding wegens belastingschade is. Het verschil tussen de WEV op 26 juni 2000 en de WEVAB op 26 juni 2000 betreffende de ondergrond van de woning en de inpandige schuur is ook terecht in de heffing begrepen. Hof Leeuwarden oordeelt in hoger beroep dat als de WEVAB van de landerijen hoger is dan de koopsom, de landbouwvrijstelling niet van toepassing is op het verschil tussen de WEVAB en de koopsom. De subsidie is dus terecht in de heffing betrokken. De inpandige schuur is geen deel van de woning of een aanhorigheid daarvan, zodat er geen reden is om een waardedruk wegens zelfbewoning op de schuur met ondergrond toe te passen. Het belastbaar inkomen uit werk en woning van X wordt vastgesteld op € 380.289. X gaat vervolgens in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat voor toepassing van de landbouwvrijstelling de onderhavige subsidie deel uitmaakt van de tegenprestatie voor de levering van de grond. De doelstelling van de subsidieregeling is namelijk de bevordering van de grondverwerving ten behoeve van landbouw, recreatie en landschap. Dit maakt dat de door het ministerie verleende subsidie als ondersteuning van de aankoopactiviteit van BBL moet worden beschouwd. Uit de stukken blijkt niet dat de inspecteur heeft aangevoerd dat de WEVAB verschilt van de WEV, zodat voor de toepassing van de landbouwvrijstelling de waarde van de grond moet worden gesteld op € 890.440. Het belastbaar inkomen uit werk en woning van X wordt aldus € 309.619. Het beroep van X is alleen in zoverre gegrond.


Meer informatie: Hoge Raad, 26 november 2010, nummer 09/00808.

Of registreer je om te kunnen reageren.