Redactieblog

325 x bekeken 5 reacties

Mogelijk nieuw type blauwtong in Nederland

Op vier rundveebedrijven in Nederland is een blauwtongvirus aangetroffen dat duidelijk afwijkt van het blauwtongvirus dat sinds augustus 2006 in Nederland voorkomt.

Dat meldt het Centraal Veterinair Instituut (CVI) van de Wageningen UR. Of het gaat om een introductie van een ander blauwtongvirus of dat het gaat om en sterk afwijkende variant van BTV8 wordt onderzocht.

”Het gaat in ieder geval om een virus dat duidelijk afwijkt van het blauwtongvirus serotype 8 dat we in Nederland kennen. Daarnaast weten we dat het niet gaat om het blauwtongvirus serotype 1”, aldus viroloog Piet van Rijn van het CVI.

Het virus is aangetroffen bij drie bedrijven in dezelfde regio, waarbij de dieren klinische verschijnselen vertonen van blauwtong. Twee bedrijven zijn dit voorjaar preventief gevaccineerd tegen de ziekte. De vaccinatie was afgerond ruim voordat de dieren verschijnselen begonnen te vertonen. De vierde besmetting kwam aan het licht omdat het dier getest werd voor export.

”Het blauwtongvirus heeft een genetische code van ongeveer 20.000 posities. Een heel klein stukje van ongeveer 250 posities wordt gebruikt in de PCR-test om alle soorten van blauwtongvirus aan te tonen. Tot nu toe werden slechts maximaal drie verschillen waargenomen. Dit afwijkende virus heeft elf verschillen, waardoor een vermoeden bestaat van een nieuwe variant”, legt Van Rijn uit. ”Het stukje van het afwijkende virus verschilt op minimaal vijf posities van alle andere, bekende blauwtongvirussen.”

Het CVI is bezig het virus verder te onderzoeken. Het ministerie van landbouw neemt nog geen extra preventieve maatregelen.

Laatste reacties

  • no-profile-image

    Boudewijn

    Mijn vraag is nu: Kan de entstof dit veroorzaken en/of is deze nieuwe variant dan niet te bestrijden met deze entstof?

  • no-profile-image

    br0nnetje

    Hoe ver vliegt een mug in Nederland?

    HET NIEUWE LAND BEDREIGD

    De strijd tegen de malaria was in Nederland geen nationale, maar eerder een provinciale of regionale aangelegenheid. Weliswaar richtte de Gezondheidsraad, de instantie die was belast met het staatstoezicht op de volksgezondheid, in 1919 een Malariacommissie op, maar dat gebeurde op initiatief van de inspecteur voor de Volksgezondheid in de provincie Noord-Holland. De taak van de Malariacommissie was de Gezondheidsraad van advies te dienen over de wijze waarop de strijd tegen de malaria moest worden aangepakt.[8] In 1923 werd door de Noord-Hollandse kruisverenigingen een Commissie voor de Malariabestrijding door de Bevolking in Noord-Holland opgericht. Het voornaamste doel van deze commissie was de burgers van de provincie ertoe aan te zetten om actief mee te werken aan de uitroeiing van de malariamug. Overigens kreeg dit particuliere initiatief wel financiële steun van de provinciale overheid en van een aantal Noord-Hollandse gemeenten.[9]

    Ondanks het landelijke gebrek aan belangstelling voor malaria, telde Nederland in het interbellum diverse internationaal vermaarde artsen en biologen die wetenschappelijk onderzoek verrichtten naar de verspreiding en bestrijding van deze ziekte. Eén van deze deskundigen, de Leidse parasitoloog prof. dr P.H. van Thiel, ontdekte halverwege de jaren twintig dat de malariamug Anopheles in Nederland in twee varianten of ondersoorten voorkwam. De ene ondersoort, de ‘langvleugelige’ Anopheles maculipennis messeae, broedde vooral in de zoete wateren van Zuid-Holland, terwijl de andere, de ‘kortvleugelige’ Anopheles maculipennis atroparvus, de voorkeur gaf aan het brakke water van Friesland en Noord-Holland.[10] In de late jaren twintig deed prof. dr N.H. Swellengrebel, het hoofd van het Zoölogisch Laboratorium van de Afdeling Tropische Hygiëne van het Amsterdamse Koloniaal Instituut, met financiële steun van de Amerikaanse Rockefeller Foundation onderzoek in de omgeving van het Noord-Hollandse stadje Medemblik.[11] Swellengrebel en zijn medewerker A. de Buck kwamen tot de conclusie dat, hoewel beide ondersoorten van de Anopheles maculipennis in staat waren de malariaparasiet op de mens over te brengen, in de praktijk het grootste gevaar afkomstig was van de brakwatervariant. Dit kwam in de eerste plaats doordat de zoetwatervariant vrijwel alleen in schuren en opslagplaatsen overwinterde, terwijl een deel van de populatie van de andere ondersoort de herfst en winter binnenshuis doorbracht. Bovendien was er bij de vrouwelijke vertegenwoordigers van de brakwatervariant geen sprake van een echte winterslaap. Ze bleven zich namelijk in de herfst- en wintermaanden met bloed voeden, ook al plantten ze zich in die periode niet langer voort. Tot diep in de herfst was de brakwatervariant van de Anopheles maculipennis in staat het malariaplasmodium op de mens over te brengen, een fenomeen dat door malariadeskundigen ‘herfstoverdracht’ werd genoemd. Personen die in de nazomer en herfst geïnfecteerd raakten, vertoonden overigens pas in de lente van het jaar daarop ziekteverschijnselen, als dat al gebeurde, want zoals gezegd waren er ook ‘gezonde’ parasietendragers.[12]


    Malariabestrijding in de Wieringermeer en Noord-Holland

    Toen in 1918 de Tweede Kamer besloot tot gedeeltelijke drooglegging van de Zuiderzee, was het zoals eerder vermeld allang bekend dat nieuwe polders uitermate gevoelig waren voor het uitbreken van malaria-epidemieën. De ervaringen die in het midden van de negentiende eeuw waren opgedaan met de inpoldering van de Haarlemmermeer, waren zeventig jaar na dato nog niet vergeten. De bevolking van deze polder, die in 1852 droog kwam te liggen, was decennialang geteisterd door allerlei besmettelijke ziekten, inclusief malaria. In 1857 bijvoorbeeld moesten de ontginningswerkzaamheden worden gestaakt omdat een groot deel van de arbeiders door de koorts was aangetast.[13] Volgens Swellengrebel en De Buck bevorderde de droogmaking van meren en plassen het uitbreken van malaria-epidemieën doordat de greppels en sloten die in de jonge gronden werden aangelegd ten behoeve van de afvoer van overtollig water, ideale broedplaatsen vormden voor de malariamug.[14]

    In augustus 1930 viel de Wieringermeer als eerste grote polder van het Zuiderzeeproject droog. De Dienst voor het in cultuur brengen van de in de Wieringermeerpolder drooggevallen gronden (kortweg Voorlopige Directie genoemd), die door het ministerie van Verkeer en Waterstaat was belast met de ontginning en de sociaal-economische opbouw van de nieuwe polder, besloot de strijd tegen de malaria voortvarend ter hand te nemen. Hierbij werd echter niet die maatregel genomen die op het eerste gezicht misschien voor de hand zou liggen, te weten de massale uitroeiing van de malariamug en haar larven. Prominente Nederlandse malariadeskundigen waren namelijk van mening dat een dergelijke maatregel weinig zin had. Zoals gezegd deden Swellengrebel en zijn medewerkers sinds de late jaren twintig wetenschappelijk onderzoek in Medemblik en omgeving.[15] Dit onderzoek concentreerde zich niet alleen op het gedrag van de malariamug, maar ook op de wijze waarop men dit diertje het beste zou kunnen bestrijden. Bij wijze van proef hadden Swellengrebel en de zijnen het wateroppervlakte van de sloten binnen een straal van drie kilometer rond Medemblik met diverse arsenicumhoudende middelen bespoten. Het doel van deze maatregel was na te gaan of hierdoor de larven van de Anopheles uitgeroeid konden worden, zodat uiteindelijk ook de muggenstand fors zou worden teruggebracht. Inderdaad liep het aantal muggen rond Medemblik met tweederde terug, maar een volledige uitroeiing van de insecten bleek onmogelijk. Swellengrebel en zijn medewerkers ontdekten dat dit een gevolg was van het feit dat de malariamuggen in staat waren flinke afstanden af te leggen, vooral bij een gunstige windrichting. De wetenschappers kwamen tot de conclusie dat Medemblik en omgeving alleen permanent muggenvrij zouden kunnen blijven indien een gebied met een straal van veertien kilometer rond dit stadje met larvendodende middelen zou worden bespoten.[16]
    De bevindingen van Swellengrebel en andere wetenschappers hadden uiteraard vergaande consequenties voor de malariabestrijding in de Wieringermeer. Als de Voorlopige Directie een grootschalige spuitcampagne op touw had willen zetten om de muggenstand in de jonge polder fors te reduceren, dan had deze zich ook moeten uitstrekken tot het aangrenzende deel van het oude land. Een dergelijke operatie was echter veel te omvangrijk en ook te kostbaar. De malariabestrijding in de Wieringermeer had in de praktijk dan ook vooral tot doel het contact tussen mens en mug tot een minimum te beperken, om op die manier de kans dat de bewoners met de parasiet zouden worden besmet zo veel mogelijk te verkleinen. Sommige van de maatregelen die werden genomen waren van een verbluffende eenvoud. Zo bleek het ’s nachts gesloten houden van deuren en ramen al behoorlijk doeltreffend, aangezien de malariamuggen juist in de nachtelijke uren op zoek gingen naar hun bloedmaaltijd. Het simpelweg doodslaan van de insecten die er desondanks in geslaagd waren de slaapkamers binnen te dringen, wilde ook wel helpen.[17] Ook werden de malariamuggen in de huizen en barakken bestreden met een insectenspray van het merk Shelltox en met andere chemische middelen. De insecticiden werden door de Voorlopige Directie aan de bewoners verstrekt; aanvankelijk gratis, vanaf 1934 tegen een kleine vergoeding. Ook het aanbrengen van eenvoudige raamhorren bleek een goede methode om de muggen te weren. In de kampen die in de Wieringermeer ten behoeve van de polderarbeiders waren aangelegd, werden de barakken met dergelijke horren uitgerust. Verder legde de Voorlopige Directie aan particuliere aannemers de verplichting op om de raamkozijnen van ieder slaapvertrek zodanig te construeren dat daarin een gaasbescherming tegen muggen kon worden aangebracht.[18] Daarnaast werd er veel aan voorlichting gedaan. Vooral de Commissie voor de Malariabestrijding door de Bevolking in Noord-Holland toonde zich hierbij uitermate actief. Zij lichtte de jonge bevolking van de Wieringermeer voor door middel van lezingen, films en de verspreiding van brochures. Ten slotte werd ervoor gezorgd dat het water dat voor irrigatiedoeleinden in de nieuwe polder werd binnengelaten, zo zoet mogelijk was. Op die manier hoopte de Voorlopige Directie de kans dat de brakwatervariant van de Anopheles maculipennis de Wieringermeer als broedgebied zou kiezen, zoveel mogelijk te reduceren.[19]

    De maatregelen die in de Wieringermeer in het kader van de strijd tegen malaria werden genomen brachten veel werk met zich mee, maar hadden uiteindelijk wel het gewenste resultaat: de nieuwe polder bleef nagenoeg malariavrij. Voor zover de ziekte er voorkwam, betrof het uit het oude land ‘geïmporteerde’ gevallen. Slechts weinig bewoners raakten besmet met de parasieten die samen met hun gastheren naar de nieuwe polder waren geëmigreerd.[20] De Directie van de Wieringermeer, de opvolgster van de Voorlopige Directie, was dan ook erg trots op het bereikte resultaat. Ze stelde in 1955 zelfs vast dat de “rijke ervaringen” die in de Wieringermeer waren opgedaan met de malariabestrijding, van groot belang waren geweest voor de strijd tegen de ziekte zoals deze elders in Nederland was gevoerd.[21]
    De Directie zag echter over het hoofd dat er ook buiten de Wieringermeer belangrijk onderzoek was verricht in het kader van de malariabestrijding. Swellengrebel en De Buck waren in de jaren 1936-1937 actief geweest in de Noord-Hollandse dorpen Uitgeest en Marken. Daar hielden zij zich vooral bezig met miltonderzoek bij schoolkinderen, omdat een vergroting van de milt kon duiden op een recente of chronische malaria-infectie. Uit dit onderzoek bleek inderdaad dat juist in de huizen waar kinderen met een enigszins vergrote milt woonden, veel muggen met parasieten te vinden waren. Nadat dit was vastgesteld, werd het bloed van alle gezinsleden op de aanwezigheid van de malariaparasiet getest. Was de uitslag positief, dan kregen alle geïnfecteerde gezinsleden een kininekuur. Verder werden hun huizen door teams van de Commissie voor de Malariabestrijding door de Bevolking in Noord-Holland van binnen bespoten met het middel pyrethrine.[22] Het onderzoek in Uitgeest en Marken toonde nog maar eens aan dat deze bespuitingen het beste in de nazomer en herfst konden plaatsvinden, omdat dit juist de periodes waren waarin de brakwatervariant van de malariamug mens en dier met het Plasmodium vivax kon besmetten. De malariabestrijding in Uitgeest en Marken was in feite gebaseerd op het principe ‘eerst onderzoek, vervolgens gerichte bestrijding’. Deze aanpak bleek redelijk succesvol: Swellengrebel concludeerde in een rapport voor de Malariacommissie dat de malaria in Uitgeest tot iets minder dan de helft en in Marken tot een vierde gereduceerd was van de omvang die ze anders zou hebben gehad.[23]

    Malariabestrijding in de Noordoostpolder tijdens de bezetting

    De eerste delen van de Noordoostpolder vielen droog in augustus 1941, waarna snel met de ontginning van het nieuwe land werd begonnen. In de eerste plaats moesten er kavelsloten en greppels voor de afvoer van overtollig water worden gegraven. Dit zware werk werd gedaan door arbeiders die werden gehuisvest in enkele tientallen kampen, verspreid over de gehele polder.

    De gezondheidssituatie in deze kampen liet veel te wensen over; in de tweede helft van 1943 braken er zelfs besmettelijke ziekten uit, zoals gastro-enteritis, bacillaire dysenterie en difteritis. In de laatste maanden voor het einde van de Duitse bezetting werd de toestand er niet beter op.[24]

    Zoals eerder ook in de Wieringermeer was gebeurd, besloot de Directie de strijd tegen de malaria actief ter hand te nemen. In juli 1942 richtte zij een eigen Geneeskundige Dienst op, die onder meer was belast met de malariabestrijding. Tot hoofd van deze dienst werd benoemd J. Zwarteveen, een van de eerste kampartsen die in de Noordoostpolder werkzaam waren.[25] Zwarteveen realiseerde zich maar al te goed dat de nieuwe polder door verschillende gevaren werd bedreigd.

    In de eerste plaats moest de mogelijkheid onder ogen worden gezien dat malariaparasieten vanuit het ‘oude land’ door besmette muggen naar de Noordoostpolder zouden worden overgebracht.

    Vandaar dat een onderzoek werd ingesteld naar het voorkomen van malaria in het zogenaamde randgebied, dat wil zeggen de strook waterrijk land die zich van het Kampereiland in oostelijke richting uitstrekt tot het merengebied bij Vollenhove en vandaar in noordelijke richting tot Lemmer. Bekend was dat in deze gebieden in de jaren twintig en dertig malaria was voorgekomen. Het laatste malariageval in het noordwesten van Overijssel was gerapporteerd in 1937.[26]

    In september 1942 deden Swellengrebel en diens collega prof. dr W.A.P. Schüffner, in nauw overleg met Zwarteveen, onderzoek naar de zogenaamde miltindex – het aantal vergrote milten per honderd onderzochte personen - bij schoolkinderen in de randgebieden. Van de 1223 onderzochte kinderen bleken er 74 een vergrote milt te hebben. Bloedonderzoek toonde echter aan dat slechts één van hen daadwerkelijk met de malariaparasiet was besmet. Die twijfelachtige eer viel te beurt aan de zesjarige Keesje Stolk uit Lemmer. Dit jongetje kwam overigens oorspronkelijk uit de Wieringermeer, wat erop lijkt te duiden dat de malariabestrijding in deze polder toch niet voor de volle honderd procent was geslaagd. In 1943 verrichtte Swellengrebel miltonderzoek bij de schoolkinderen op Urk. Van de 748 onderzochte kinderen leden 71 aan een vergroting van de milt, maar bloedonderzoek toonde aan dat geen van hen met de malariaparasiet was besmet.[27]

    Een ander potentieel gevaar was dat de malariamug zich permanent in de Noordoostpolder zou vestigen. Vooral de eerste jaren na de drooglegging zouden de omstandigheden er ideaal zijn voor dit insect: de jonge polder bestond immers uit een uitgestrekte, drassige vlakte, die werd doorsneden met greppels en sloten. Onderzoek dat Zwarteveen in de jaren 1942-1944 verrichtte, toonde aan dat de brakwatervariant van de Anopheles maculipennis overal in het randgebied voorkwam. Een kolonisatie van de Noordoostpolder door deze ondersoort vanuit het oude land viel dus zeker niet uit te sluiten. In 1944 bleek er echter nog geen sprake te zijn van een inheemse muggenstand, wat misschien te maken had met de uitgestrektheid van de polder en de heersende westenwinden, die een invasie van muggen vanuit het oosten en noorden niet bevorderden.[28]

    Ten slotte moest rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat zich onder de nieuwe – al dan niet tijdelijke – bewoners van de Noordoostpolder malarialijders en parasietendragers zouden bevinden. In april 1942 besloot de Directie tot het doen van bloedtesten bij alle arbeiders die in de polder werkzaam waren. Het bloed – één druppel uit één vinger – werd afgenomen door de kampartsen; de testen werden gedaan in het laboratorium van Swellengrebel in Amsterdam. Deelname aan de bloedtesten werd verplicht gesteld voor iedereen die in de polder woonde of er werkzaam was. In augustus 1942 werd hierover zelfs een speciaal artikel opgenomen in het Reglement op de Arbeidsvoorwaarden.[29] De maatregel van de Directie leidde wel tot enig gemor, want lang niet alle arbeiders konden het nut van een bloedtest in het kader van de malariabestrijding inzien; de meesten leken het onderzoek zelfs als “flauwekul” te beschouwen.[30] In juni 1942 rapporteerde J.J. Temminck, een arts die was gestationeerd in het kamp Ramspol, dat er onder de kamparbeiders nogal wat ontevredenheid was ontstaan omdat de bloedafname in hun vrije tijd moest gebeuren. De zogenaamde forensen (de arbeiders die buiten de Noordoostpolder woonden maar er wel elke dag kwamen werken) mochten echter wat eerder met hun werk ophouden, dit met behoud van loon. Dit had tot gevolg dat nogal wat arbeiders die voor langere tijd in de kampen woonden, weigerden hun medewerking aan de bloedafname te verlenen. Temminck had hier wel begrip voor: “Naar myn meening is het een onbillykheid om deze menschen wel in hun vrye tyd lastig te vallen, en de ‘forensen’ niet.”[31]

    Ondanks deze en andere kleine wrijvingen zou het bloedonderzoek in 1943 en 1944 worden herhaald. Vanaf 1943 werd overigens alleen het bloed onderzocht van de arbeiders die oorspronkelijk afkomstig waren uit gebieden waar malaria voorkwam. Het bleek namelijk te veel werk om iedereen te laten testen; bovendien was de kans op besmetting bij degenen die niet uit beruchte malariagebieden als Noord-Holland of Friesland kwamen hoe dan ook te verwaarlozen. In totaal werden in de jaren 1942-1944 4493 bloedpreparaten onderzocht; slechts 35 daarvan bleken afkomstig van personen die met de malariaparasiet waren besmet.[32]

    Toenemend malariagevaar na de bevrijding

    Afgaande op de verschillende wetenschappelijke onderzoeken en medische testen die in de jaren 1942-1944 werden verricht, viel het in die periode nog wel mee met het malariagevaar voor de Noordoostpolder.[33] Dit bleek ook uit het feit dat er daar in 1942 en 1943 geen enkel geval van malaria bij de Inspectie voor de Volksgezondheid werd gerapporteerd. Dat wil dus zeggen dat de weinige zogenaamde gezonde parasietendragers die de polder telde, tot op dat moment nog niemand hadden weten te besmetten. Pas in 1944 werden de eerste twee gevallen van malaria in de jonge polder gemeld.[34] In de loop van 1945 zou er echter het nodige veranderen. In de eerste plaats nam dat jaar het aantal malariamuggen in de Noordoostpolder flink toe. Medio september 1945 verrichtte de bioloog dr A. Punt een kort onderzoek naar het voorkomen van de brakwatervariant van Anopheles maculipennis in de polder. Zijn conclusie was dat deze ondersoort op vele plaatsen kon worden aangetroffen; vooral in stallen en dierenhokken kwam het insect soms in groten getale voor. Volgens hem waren deze muggen niet direct afkomstig uit het oude land. Met andere woorden, er was inmiddels een inheemse muggenstand ontstaan. Punt achtte de ‘muggendichtheid’ in de polder nog niet verontrustend groot, maar dat nam zijns inziens niet weg dat er een reëel gevaar van parasietenoverdracht bestond.[35] Waarschijnlijk had de malariamug zich in de polder weten te vestigen doordat de waterstand daar in 1945 vergeleken met de voorafgaande jaren flink was gestegen. Dit was te wijten aan moeilijkheden met de bemaling, en die waren dan weer het gevolg van het gebrek aan motorbrandstof waardoor Nederland in het laatste oorlogsjaar was getroffen. Vele sloten in de polder die lange tijd droog hadden gestaan, waren nu helemaal met water gevuld.[36]

    Een andere reden tot zorg was de sterke stijging van het aantal malariagevallen in het oude land gedurende de laatste oorlogsjaren. In 1941 werden er in heel Nederland in totaal 677 malariagevallen gemeld. In 1943 waren dat er 853, maar in 1944 steeg dit aantal plotseling tot 2500, wat grotendeels het gevolg was van een ernstige uitbraak van malaria in Noord-Holland. Ook Friesland werd na de oorlog getroffen door een epidemie, die in 1946 een piek zou bereiken met 700 geregistreerde gevallen. In 1945 werden er in heel Nederland 2900 gevallen gerapporteerd.[37] In werkelijkheid was de omvang van de epidemie vermoedelijk nog wel groter. De verplichting om malariagevallen bij de Inspectie voor de Volksgezondheid aan te melden was namelijk in 1941 door de Duitsers ingevoerd, en veel artsen saboteerden iedere maatregel die door de bezetter werd genomen, of dit nu een zinvolle was of niet.[38] Hoe dan ook, na 1944 verslechterde de toestand in de gebieden die aan de Noordoostpolder grensden, zij het dat het aantal ‘inheemse’ malariapatiënten in deze regio – dat wil zeggen patiënten die de besmetting niet elders hadden opgelopen – beperkt bleef. In 1944 werden er slechts vier van dergelijke gevallen in het randgebied gemeld, in 1945 was dit aantal gestegen tot elf.[39]

    Het grootste probleem waarmee de Geneeskundige Dienst van de Directie direct na het einde van de Tweede Wereldoorlog te maken kreeg, was de instroom van enkele duizenden zogenaamde politieke delinquenten naar de Noordoostpolder. De komst van deze collaborateurs was het resultaat van een overeenkomst tussen het Militair Gezag en de Directie. Laatstgenoemde instantie had al sinds het begin van de ontginningswerkzaamheden te kampen met een groot gebrek aan geschikte arbeidskrachten. Tegen het einde van de oorlog was de situatie nijpender dan ooit tevoren; in april 1945 waren er in de Noordoostpolder nog maar 300 arbeiders aanwezig, nauwelijks genoeg om één kamp te bevolken.[40] Toen het Militair Gezag liet weten dat het een aantal collaborateurs in de polder te werk wilde stellen, realiseerde de Directie zich dan ook dat hieraan voor haar voordelen verbonden waren: zij zou op een gemakkelijke manier aan goedkope arbeidskrachten kunnen komen. Anderzijds had de Directie haar bedenkingen tegen het vooruitzicht dat het nieuwe land met collaborateurs zou worden bevolkt. Zij kwam dan ook met het Militair Gezag overeen dat alleen ‘lichte gevallen’ naar de polder zouden worden gestuurd, dat wil zeggen voormalige aanhangers van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB), en geen oud-SS’ers. Verder spraken het Militair Gezag en de Directie af dat alleen boeren, boerenarbeiders en grondwerkers in de Noordoostpolder te werk zouden worden gesteld.[41] De militaire autoriteiten hielden zich echter niet volledig aan de afspraken. In de zomer van 1945 arriveerden ongeveer 1.500 NSB’ers uit Noord-Holland in de polder. Maar de meesten van hen waren afkomstig uit Amsterdam, en dus nauwelijks geschikt voor het zware ontginningswerk.[42]

    Niet alleen de kwaliteit van de – onvrijwillige – nieuwe arbeidskrachten liet te wensen over, ook hun herkomst vormde reden tot zorg. Zoals eerder gezegd was juist Noord-Holland een gebied dat zwaar door de malaria werd bezocht. Bovendien werden er enkele honderden politieke delinquenten uit Friesland, een andere beruchte malariastreek, in de Noordoostpolder te werk gesteld. De instroom van potentiële parasietendragers en het ontstaan van een inheemse muggenstand in de polder, vormden voor Zwarteveen aanleiding om ir. S. Smeding, het hoofd van de Directie, te wijzen op het gevaar dat er een malaria-epidemie zou uitbreken. In een brief die hij begin augustus 1945 aan Smeding schreef, benadrukte Zwarteveen dat tijdige opsporing van de parasietendragers nu nog urgenter was geworden dan de voorafgaande jaren al het geval was geweest. Hij achtte het echter onmogelijk het bloed van alle gedetineerden – het waren er inmiddels ongeveer duizend - vóór het begin van de nazomer te testen. “De beste bestrijdingsmethode van de malaria, n.l. het opsporen en onschadelijk maken van plasmodien is dus niet door te voeren,” aldus Zwarteveen. Het op één na beste bestrijdingsmiddel was de rigoureuze vernietiging van de aanwezige muggen door bespuitingen met Shelltox. Zwarteveen verwachtte echter niet dat dit genoeg zou zijn om de Noordoostpolder malariavrij te houden. “De eenige afdoende methode zou zijn de arbeiders en de gedetineerden afkomstig uit malariastreken vóór 15 Augustus te elimineeren , en te vervangen door arbeiders uit malariavrije streken. Mocht dit niet mogelijk zijn, dan is het noodzakelijk de toevoer van arbeidskrachten uit malariagebieden stop te zetten,” zo beval Zwarteveen aan.[43]

    Het advies van Zwarteveen stuitte op bezwaren van de zijde van ir. B. Prummel, het hoofd van de Cultuurtechnische sectie van de Landbouwkundige Afdeling van de Directie, en als zodanig verantwoordelijk voor de voortgang van het ontginningswerk. Hij liet Smeding weten dat het onmogelijk was alle arbeiders en gedetineerden die afkomstig waren uit malariagebieden, uit de polder te verwijderen. Bovendien was het uitgesloten om alleen arbeiders uit malariavrije gebieden in de Noordoostpolder te werk te stellen. Volgens Prummel hoefde dit echter geen probleem te zijn, omdat er genoeg andere bestrijdingsmethoden overbleven. Als maatregelen die effect zouden kunnen sorteren noemde hij het aanbrengen van horren aan de buitenzijde van slaapkamerdeuren en het bespuiten van de slaapkamers met Shelltox, of liever nog, het nieuwe middel DDT.[44] Verder beval Prummel aan de waterplassen en sloten binnen een cirkel met een straal van 700 tot 800 meter rondom de arbeiderskampen geregeld te bespuiten met Shelltox. Ook zou in deze wateren Parijs groen, een larvendodend middel, kunnen worden gestrooid. Ten slotte zouden parasietendragers moeten worden opgespoord en behandeld en, indien nodig, uit de polder moeten worden verwijderd, aldus Prummel.[45]

    Zwarteveen reageerde nogal gepikeerd op Prummels adviezen. In een tweede brief aan Smeding liet hij weten dat hij de door Prummel voorgestelde bescherming door middel van horren volstrekt onvoldoende achtte. Hij vermoedde bovendien dat de doorvoering van een dergelijke maatregel hoe dan ook op materiaalgebrek zou stuiten. Verder wees Zwarteveen erop dat de methode om sloten en plassen met Shelltox of Parijs groen te bespuiten allang niet meer werd toegepast, omdat in het verleden was gebleken dat dit weinig zin had. Zwarteveen schreef aan Smeding: “De eenige afdoende maatregel die ik U […] voorstelde, wordt zonder nadere motiveering als onuitvoerbaar terzijde geschoven, zoodat dus van de malariabestrijding in den Polder weinig of niets terecht zal komen, waardoor de kans zeer groot is, dat in de toekomst de Noord Oost Polder tot een gevaarlijke malariahaard voor Nederland zal worden.”[46]

    Zwarteveens bezwaren tegen de ‘invoer’ van politieke gevangenen uit malariagebieden werden gedeeld door dr G.D. Hemmes, inspecteur voor de Volksgezondheid voor Utrecht en Overijssel. Begin september 1945 liet Hemmes aan Smeding weten dat hij, net als Zwarteveen, het spoedige vertrek van deze groep gedetineerden uit de Noordoostpolder van dringend belang achtte, ondanks alle praktische problemen die dit misschien zou opleveren. “Geschiedt dit niet dan moet er op gerekend worden, dat infectie van de muggen in den polder optreedt en dan is het einde van de malaria misère niet te zien,” aldus Hemmes. Hij wees Smeding erop dat er zich onder de gedetineerden al enkele malariagevallen hadden voorgedaan. Hemmes concludeerde: “Met de voorgenomen spuitcampagnes alleen is niet te verwachten, dat we een malaria invasie kunnen voorkomen. Ik betreur het dat kostbare tijd verloren is gegaan, mede door de wijze waarop Uw landbouwkundige afdeeling heeft gemeend het verzoek om advies op het schrijven van Dr Zwarteveen te moeten uitleggen.”[47] Smeding stuurde Hemmes vervolgens een telegram, waarin hij hem liet weten dat hij, in samenwerking met het Militair Gezag, al enkele weken zijn best deed de gedetineerden die afkomstig waren uit Amsterdam en omstreken kwijt te raken.[48] De pogingen om deze groep gedetineerden per direct uit de Noordoostpolder te verwijderen zouden echter schipbreuk lijden. Wel zou het aantal gevangenen in de loop van de herfst en winter van 1945 flink afnemen, omdat velen door fysieke kwalen of gebrek aan ervaring niet geschikt bleken voor het zware werk in de polder. Waren er in het najaar van 1945 ongeveer 2700 collaborateurs in de Noordoostpolder aanwezig, in december van dat jaar was daar nog maar de helft van over. De allerlaatste politieke delinquenten vertrokken echter pas in april 1946.[49]
    Bloedonderzoek onder zowel de gedetineerden als de overige bewoners van de Noordoostpolder toonde aan dat de vrees van Hemmes en Zwarteveen voor een grootscheepse uitbraak van malaria niet ongegrond was. Weliswaar maakte personeelsgebrek het onmogelijk bij alle gevangenen bloed af te nemen, maar uiteindelijk slaagde de Geneeskundige Dienst van de Directie er toch in ongeveer 600 bloedpreparaten te laten testen. Daarvan bleken er 21 positief; daarnaast deden zich onder de gedetineerden twaalf gevallen van malaria tertiana voor. Zowel malariapatiënten als gezonde parasietendragers werden met het middel chinoplasmine behandeld.[50] Intussen was ook onder de overige bewoners van de Noordoostpolder het aantal geïnfecteerden fors gestegen. Uit de jaarlijkse bloedtesten die tussen 1942 en 1945 waren verricht, was gebleken dat in die periode minder dan een half procent van de permanente bewoners met de malariaparasiet was besmet. In de periode april-mei 1946 echter testte bijna zestien procent van de 1051 onderzochte personen positief. Zwarteveen ging ervan uit dat de overgrote meerderheid van hen de infectie in de polder zelf had opgelopen.[51] In enkele dorpen in de Noordoostpolder waren in vrij geïsoleerde groepen van woningen bijna in ieder huis één of meer geïnfecteerden gevonden; hier en daar hadden parasietendragers zelfs andere parasietendragers als buren. Een dergelijke voor malariagebieden typische situatie was volgens Zwarteveen een zeer sterke aanwijzing voor een infectie ter plaatse, want het zou toch wel zeer toevallig zijn als personen die buiten de polder waren geïnfecteerd, juist naast elkaar waren gaan wonen.[52]

    Uiteindelijk zouden zich in 1945 in de Noordoostpolder 33 gevallen van malaria voordoen, terwijl er 39 gezonde dragers werden ontdekt. In 1946 was het aantal gevallen van malaria weliswaar teruggebracht tot 11, maar daar stond tegenover dat er maar liefst 335 geïnfecteerden werden opgespoord. Hiervan behoorden 166 tot de permanente bewoners, dit terwijl in 1945 onder deze categorie nog maar vier besmette personen waren gevonden. Onder de ‘normale’ tijdelijke bewoners – de kamparbeiders - was het aantal parasietendragers gestegen van veertien in 1945 tot 169 het jaar daarop.[53] Volgens Zwarteveen waren deze forse stijgingen het gevolg van de ‘import’ in 1945 van een grote groep parasietendragers, te weten de politieke gevangenen. Zijn conclusie was dan ook duidelijk: “Het overbrengen van grote groepen personen, afkomstig uit malariastreken naar gebieden, waar door de aanwezigheid van Anopheles maculipennis atroparvus de voorwaarden voor infectie met malaria gunstig zijn, is onverantwoordelijk, tenzij het mogelijk is tijdig maatregelen te treffen ter voorkoming van besmetting.”[54]

    Toen de laatste gedetineerden in de lente van 1946 uit de polder waren vertrokken, was het kwaad al geschied, in de vorm van een spectaculaire stijging van het aantal parasietendragers onder de permanente polderbevolking en de kamparbeiders. Volgens Zwarteveen kon een grootscheepse uitbraak van malaria alleen nog maar worden voorkomen door de zogeheten profylaxe op rigoureuze wijze aan te pakken. Hierbij werden diverse methodes toegepast. In de eerste plaats bleef de Geneeskundige Dienst het bloed van de bewoners van de Noordoostpolder testen op de aanwezigheid van malariaparasieten. De parasietendragers die dankzij dit onderzoek werden ontdekt, kregen een behandeling met chinoplasmine.[55] Daarnaast werden diverse maatregelen genomen om de kans op parasietenoverdracht van mug tot mens zo veel mogelijk te verkleinen. Zo werden de slaapruimten in de arbeiderskampen bespoten met Shelltox.[56] Ook werd, aanvankelijk als proef, DDT gebruikt om de kampen en huizen muggenvrij te houden.[57] Volgens Zwarteveen had dit insecticide als voordeel dat het niet vluchtig was en dus een langdurige werking kende. Tweemaal spuiten met een tussenpoos van vier weken in de nazomer en herfst was volgens hem voldoende om een bepaalde ruimte ongeveer een jaar muggenvrij te houden.[58] Overigens werd vanaf 1947 afgezien van de systematische bespuiting van alle huizen en barakken; alleen de woningen van bekende parasietendragers en de arbeiderskampen werden nog met DDT behandeld.[59] Daarnaast werden deuren en ramen in de arbeiderskampen zo veel mogelijk met gaas beschermd. Wat de particuliere woningen betreft werd het gebruik van raamhorren door de Directie aangemoedigd. Desgewenst verstrekte zij vliegenramen aan de bewoners, al werd zij hierbij gedurende de eerste naoorlogse jaren geplaagd door materiaalgebrek, zoals Zwarteveen al had voorspeld.[60] Ten slotte probeerden de autoriteiten door middel van een actieve voorlichtingscampagne de bewoners van het nut van genoemde maatregelen te overtuigen. Zwarteveen gaf lezingen waarbij hij de bevolking opriep hun huizen tegen de muggen te beschermen en ook zoveel mogelijk van deze insecten te doden. Hij was er echter nog steeds van overtuigd dat het actief opsporen van parasietendragers de beste methode vormde om een uitbraak van malaria te voorkomen. Bij zijn lezingen drukte hij zijn toehoorders dan ook op het hart dat zij hun bloed moesten laten testen, dit onder het motto: “Onttrekt U niet aan maatregelen, die tenslotte ook in Uw belang genomen worden.”[61]
    De genomen maatregelen sorteerden uiteindelijk effect: in oktober 1946 kon Zwarteveen in de Malariacommissie van de Gezondheidsraad melden dat de door hem verwachte uitbraak van malaria in de Noordoostpolder zich nog niet had voorgedaan. Volgens hem was deze onverwacht gunstige situatie te danken aan de systematische behandeling van alle bekende parasietendragers met chinoplasmine. Daarnaast zou het bespuiten van alle huizen en arbeiderskampen met DDT een einde hebben gemaakt aan de beruchte herfstoverdracht.[62] Ook 1947 gaf goed nieuws te zien: volgens Zwarteveen deden zich toen slechts vier primaire inheemse gevallen van malaria voor (dat houdt in dat desbetreffende malariapatiënten het voorafgaande jaar in de Noordoostpolder zelf met de parasiet waren geïnfecteerd).[63] In 1948 en 1949 bleef het aantal malariapatiënten in de polder beperkt tot nauwelijks een dozijn per jaar. Bovendien betrof het in de meeste gevallen ‘recidieven’ (personen die al eens eerder malaria hadden gehad) of ‘immigranten’. In 1948 waren er maar twee niet-recidieve inheemse gevallen, en in 1949 vier.[64] In 1950 en 1951 werd bij de Inspectie voor de Volksgezondheid in Overijssel geen enkel malariageval uit de Noordoostpolder gerapporteerd.[65] In de zomer van 1952 maakte de Directie dan ook een einde aan de gratis verstrekking van raamhorren, al adviseerde zij de bewoners van de polder nog wel de bestaande voorzieningen in stand te houden.[66]


    Tot besluit

    De malariabestrijding in de Noordoostpolder was een aanzienlijk succes. Ongetwijfeld was dit deels te danken aan het feit dat de malariabestrijders konden voortbouwen op de ervaringen die eerder in de Wieringermeer waren opgedaan. Zij hadden geleerd dat het aanbrengen van raamhorren, de kleinschalige inzet van insecticiden en het geven van voorlichting aan de polderbevolking op zichzelf al tamelijk effectieve maatregelen in de strijd tegen malaria waren. De systematische opsporing van parasietendragers door middel van miltonderzoek en bloedtesten was echter vooral het resultaat van het werk dat Swellengrebel en diens medewerkers in de tweede helft van de jaren dertig in Uitgeest en Marken hadden gedaan. Zwarteveen had een sterke voorkeur voor deze laatste methode; de andere genoemde maatregelen hadden in zijn ogen toch vooral een aanvullend karakter.[67] Hij zag al helemaal niets in grootschalige spuitcampagnes die waren bedoeld om de gehele muggenstand in de bekende malariagebieden uit te roeien, zoals onder andere werd bepleit door de Rockefeller Foundation.[68]

    De meer gerichte aanpak van Zwarteveen bleek in de Noordoostpolder, een uitgestrekt maar dunbevolkt gebied waar de bevolking zich concentreerde in een beperkt aantal dorpen en kampen, goed te werken. Zelfs op het hoogtepunt van de malaria-epidemie waardoor Nederland in de nasleep van de oorlog werd getroffen, met ongeveer 15.300 inheemse infectiegevallen in 1946,[69] bleef het aantal patiënten in de polder beperkt. Dit is des te opmerkelijker als men bedenkt dat het aantal gezonde parasietendragers onder de permanente bewoners van de Noordoostpolder relatief hoog was, dit ten gevolge van de tijdelijke aanwezigheid van vele tientallen geïnfecteerde gedetineerden uit Friesland en Noord-Holland. De Noordoostpolder was begin jaren vijftig al bijna helemaal vrij van malaria. Het gebied liep daarmee jaren vooruit op de rest van Nederland, want het laatste inheemse malariageval werd pas in 1959 gemeld. Het zou tot 1970 duren voordat de World Health Organization Nederland, als één van de laatste Europese landen, op de lijst van ‘malariavrije’ landen zette.[70]


    Remco van Diepen,[1]
    november 2004










    Noten 1 t/m 14
    1. De auteur dankt mevr.drs W.H.J. van der Most, dr A. Geurts, dr H. Pruntel en dr J.P. Verhave voor hun commentaar op een eerdere versie van dit artikel.


    2. N.H. Swellengrebel en A. de Buck, Malaria in the Netherlands (Amsterdam 1938) iii; H.A. van Seventer, The Disappearance of Malaria in the Netherlands (Academisch proefschrift Universiteit van Amsterdam; z.pl., 1969) 11-12.


    3. Van Seventer, The Disappearance of Malaria, 9; J. Zwarteveen, Malaria in de Noord-Oostelijke Polder. Onderzoek en bestrijding in de jaren 1942-1947 (Academisch proefschrift Rijksuniversiteit Leiden; Varsseveld, z.j.) 13; Charles Jeurgens, De Haarlemmermeer. Een studie in planning en beleid 1836-1858 (Amsterdam 1991) 64.


    4. Van Seventer, The Disappearance of Malaria, 9; J. Zwarteveen, ‘Malariabestrijding’ in: Verslag van den op 25 Februari 1946 te Marknesse gehouden ontwikkelingsdag voor de landbouwkundige opzichters (Zwolle z.j.) 35-41, aldaar 36-37.


    5. Zwarteveen, Malaria in de Noord-Oostelijke Polder, 29; Zwarteveen, ‘Malariabestrijding’, 36.


    6. Nationaal Archief te Den Haag (NA), Archief van het ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid (Archief SZV), Archief van de Gezondheidsraad 1920-1956 (Archief Gezondheidsraad), inv. nr 360, N.M. Josephus Jitta aan het Bureau tot Bevordering van het Kinine-gebruik, 28 oktober 1928. Zie ook: Zwarteveen, ‘Malariabestrijding’, 36.


    7. In de vooroorlogse jaren werden in Nederland ook wel eens gevallen van malaria quartana gemeld. Zie: Zwarteveen, ‘Malariabestrijding’, 36.


    8. Voor de geschiedenis van de Malariacommissie zie: NA, Archief SZV, Archief Gezondheidsraad, inv. nr 356, N.H. Swellengrebel, Verslag over de jaren 1936 en 1937 van de Malaria-Commissie uit den Gezondheidsraad (concept).


    9. Swellengrebel en De Buck, Malaria in the Netherlands, 8-9, 205-206.


    10. Zwarteveen, Malaria in de Noord-Oostelijke Polder, 72-73; Swellengrebel en De Buck, Malaria in the Netherlands, 62-64, 119-126; Van Seventer, The Disappearance of Malaria, 17. Zie ook: NA, Archief SZV, Archief Gezondheidsraad, inv. nr 356, Notulen vergadering der Malaria-Commissie uit den Gezondheidsraad op Zaterdag 10 maart 1928, te 10 uur in het Gebouw der Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, Raadhuisstraat 20, te Amsterdam.


    11. J.P. Verhave, ‘The Disappearance of Dutch Malaria and the Rockefeller Foundation’, Parassitologia 42 (2000) 111-115, aldaar 111-112.


    12. Swellengrebel en De Buck, Malaria in the Netherlands, 55-62, 95-96; Van Seventer, The Disappearance of Malaria, 10. Zie ook: NA, Archief SZV, Archief Gezondheidsraad, inv. nr 356, N.H. Swellengrebel, Verslag over de jaren 1936 en 1937 van de Malaria-Commissie uit den Gezondheidsraad [concept].


    13. H.N. ter Veen, De Haarlemmermeer als kolonisatiegebied. Proeve eener sociaal-geographische monographie (Dissertatie; Groningen 1925) 41-43, 71.


    14. Swellengrebel en De Buck, Malaria in the Netherlands, 4-7, 115-116.



    Noten 15 t/m 29
    15. A.F. Kamp, Zuiderzee-land. Verleden en toekomst van de Zuiderzee (Amsterdam 1937) 158; Verhave, ‘The Disappearance of Dutch Malaria’, 111-112.


    16. Kamp, Zuiderzee-land, 159-160; Wording en opbouw van de Wieringermeer. Geschiedenis van de ontginning en kolonisatie van de eerste IJsselmeerpolder (Zwolle 1955) 543.


    17. J.A. Nijkamp en N.H. Swellengrebel, ‘Waarnemingen hoe Anopheles maculipennis den nieuwen Wieringermeerpolder binnendrong’, Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde 78 (1934) 3427-3443, aldaar 3440.


    18. Kamp, Zuiderzee-land, 161.


    19. Wording en opbouw, 543. Zie ook: W.N. van Ritbergen-Siewers, ‘Malaria teisterde bewoners droogmakerijen’, Flevo Parool, 3 juni 1986.


    20. Kamp, Zuiderzee-land, 161; Wording en opbouw, 544-545.


    21. Wording en opbouw, 315.


    22. Zwarteveen, Malaria in de Noord-Oostelijke Polder, 100. Verder: NA, Archief SZV, Archief Gezondheidsraad, inv. nr 356, N.H. Swellengrebel, Verslag over de jaren 1936 en 1937 van de Malaria-Commissie uit den Gezondheidsraad [concept].


    23. Verhave, ‘The Disappearance of Dutch Malaria’, 111-112; N.H. Swellengrebel en H. Kraan, ‘10 jaar spuitcampagnes tegen malaria’, Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde 90 (1946) 1377-1380, aldaar 1377. Verder: NA, Archief SZV, Archief Gezondheidsraad, inv. nr 356, N.H. Swellengrebel, Verslag over de jaren 1936 en 1937 van de Malaria-Commissie uit den Gezondheidsraad [concept].


    24. Tien jaren Noordoostpolder (Zwolle z.j. [1952]) 34-39; C.C. van Baalen, Paradijs in oorlogstijd? Onderduikers in de Noordoostpolder 1942-1945. Publicaties van de Stichting voor het Bevolkingsonderzoek in de drooggelegde Zuiderzeepolders 49 (Zwolle 1986) 25-26, 104-105, 181. Tevens verschenen als dissertatie. Zie ook: Nieuw Land Erfgoedcentrum te Lelystad (NLE), Collectie Sociaal Historisch Centrum voor Flevoland (Collectie SHCF), Manuscript G.J.M. Slokkers, De arbeidsvoorziening ten behoeve van het Zuiderzeeproject. De werving, de herkomst en de arbeidsvoorwaarden van de arbeiders aan het Zuiderzeeproject 1920-1961 (z.pl. 1995) 114-115.


    25. Van Baalen, Paradijs in oorlogstijd, 102.


    26. Zwarteveen, Malaria in de Noord-Oostelijke Polder, 64-65; G.D. Hemmes, ‘Malaria prophylaxe in den Noordoostelijken Polder’ in: Verslagen en Mededeelingen betreffende de Volksgezondheid (z.pl. 1945) 84-89, aldaar 84-85.


    27. Hemmes, ‘Malaria prophylaxe’, 86. Verder: NLE, Collectie Rijksarchief in Flevoland (Collectie RAFl), Archief Directie Wieringermeer (IJsselmeerpolders) 1918-1963 (-1980) (Archief DW), inv.nr 1989, E. Schoute aan A. Blaauboer, 19 februari 1943, met bijlagen; N.H. Swellengrebel aan Blaauboer, 17 februari 1944.


    28. Zwarteveen, Malaria in de Noord-Oostelijke Polder, 83, 86-87.


    29. NLE, Collectie RAFl, Archief DW, inv. nr 1989, afschrift van een circulaire van S. Smeding inzake de malariabestrijding, 8 juni 1942. Zie ook: Van Baalen, Paradijs in oorlogstijd?, 105.


    Het nieuwe land bedreigd
    Noten 30 t/m 43

    30. Ch.A.P. Takes, Pioniers in den Noordoostpolder gedurende de oorlogsjaren 1941 en 1942 (Alphen aan den Rijn 1947) 145.


    31. NLE, Collectie RAFl, Archief DW, inv. nr 1989, J.J. Temminck aan de Directie, 24 juni 1942.


    32. NLE, Collectie RAFl, Archief DW, inv. nr 1989, J. Zwarteveen aan N.H. Swellengrebel, 15 maart 1943 [afschrift]; J. Zwarteveen aan S. Smeding, 27 maart 1943. Verder: Zwarteveen, Malaria in de Noord-Oostelijke Polder, 37-38; Hemmes, ‘Malaria prophylaxe’, 87.


    33. NA, Archief SZV, Archief Gezondheidsraad, inv. nr 356, Vergadering van de Malaria-Commissie uit den Gezondheidsraad gehouden op Zaterdag 23 Januari 1943 in het Instituut voor Tropische Hygiëne, Mauritskade 57a, Amsterdam.


    34. Zwarteveen, Malaria in de Noord-Oostelijke Polder, 35 (tabel 4).


    35. NLE, Collectie RAFl, Archief DW, inv. nr 1989, A. Punt, Onderzoek naar het voorkomen van malariamuggen in de N.O. Polder [afschrift], oktober 1945.


    36. Zwarteveen, Malaria in de Noord-Oostelijke Polder, 87; Hemmes, ‘Malaria prophylaxe’, 88-89; G.D. Hemmes, ‘Besmettelijke ziekten. Epidemologie en praeventieve maatregelen’ in: I. Boerema (red.), Medische ervaringen in Nederland tijdens de bezetting 1940-1945 (Groningen/Batavia 1947) 105-129, aldaar 118.


    37. Verhave, ‘The Disappearance of Dutch Malaria’, 112. Zie verder: NA, Archief van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Archief van de Geneeskundige Hoofdinspectie 1902-1952, inv.nr 130, Malaria Situation in the Netherlands. Report by O.R. McCoy en J.A. Logan, Oct. 25, 1946 [afschrift].


    38. Voor de situatie in Nederland tijdens de oorlog zie: Verhave, ‘The Disappearance of Dutch Malaria’, 112.


    39. Zwarteveen, Malaria in de Noord-Oostelijke Polder, 70-71; Hemmes, ‘Malaria prophylaxe’, 88. Zie verder: NA, Archief SZV, Archief Gezondheidsraad, inv. nr 356, Vergadering van de Malaria-Commissie uit den Gezondheidsraad op Vrijdag 14 Dec. 1945 te 10 uur v.m. in het Instituut voor Tropische Hygiëne te Amsterdam; Vergadering van de Malaria-Commissie uit den Gezondheidsraad op Vrijdag 2 Augustus 1946 te 10 u. v.m. in het Instituut voor Tropische Hygiëne te Amsterdam.


    40. A.M.C. van Dissel, 59 jaar eigengereide doeners in Flevoland, Noordoostpolder en Wieringermeer. Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders 1930-1989. Publicaties van de Stichting voor het Bevolkingsonderzoek in de drooggelegde Zuiderzeepolders 54 (z.pl., 1991) 113. Tevens verschenen als dissertatie.


    41. J.T.W.H. van Woensel, ‘Politieke delinquenten in de Noordoostpolder (1945-1948)’ in: De Vriendenkring. Cultuurhistorisch tijdschrift voor Flevoland 42 (2002) nr 4, 13-23, aldaar 13-14; NLE, Collectie SHCF, Manuscript Slokkers, De arbeidsvoorziening, 94.


    42. NLE, Collectie SHCF, Manuscript Slokkers, De arbeidsvoorziening, 94.


    43. NLE, Collectie RAFl, Archief DW, inv. nr 1989, J. Zwarteveen aan de Directie, 8 augustus 1945.



    Het nieuwe land bedreigd
    Noten 44 t/m 59

    44. DDT is een organisch-chemisch insecticide; de afkorting staat voor dichloor-diphenyl-trichloorethaan. Het middel werd in 1874 voor de eerste maal geproduceerd, maar pas in 1939 werd ontdekt dat het als insecticide kon worden toegepast. Tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikte het Amerikaanse leger DDT om luizen, vlooien en muggen te doden. Later werd echter ontdekt dat vogels en andere dieren die insecten aten, massaal stierven in gebieden waar DDT werd gebruikt. De meeste westerse landen gingen in de loop van de jaren zestig dan ook over tot een verbod op het gebruik van dit middel.


    45. NLE, Collectie RAFl, Archief DW, inv. nr 1989, B. Prummel aan de Directie, 20 augustus 1945.


    46. NLE, Collectie RAFl, Archief DW, inv. nr 1989, J. Zwarteveen aan de Directie, 30 augustus 1945.


    47. NLE, Collectie RAFl, Archief DW, inv. nr 1989, G.D. Hemmes aan S. Smeding, 1 september 1945.


    48. NLE, Collectie RAFl, Archief DW, inv. nr 1989, getypt en ongedateerd afschrift van een telegram van S. Smeding aan G.D. Hemmes.


    49. Van Woensel, ‘Politieke delinquenten’, 14, 18; NLE, Collectie SHCF, Manuscript Slokkers, De arbeidsvoorziening, 96. Verder: NA, Archief SZV, Archief Gezondheidsraad, inv. nr 356, Vergadering van de Malaria-Commissie uit den Gezondheidsraad op Vrijdag 14 Dec. 1945 te 10 uur v.m. in het Instituut voor Tropische Hygiëne te Amsterdam.


    50. Zwarteveen, Malaria in de Noord-Oostelijke Polder, 40. Zie verder: NLE, Collectie RAFl, Archief DW, inv. nr 1989, Rapport van J. Zwarteveen, april 1946; NA, Archief SZV, Archief Gezondheidsraad, inv. nr 356, Vergadering van de Malaria-Commissie uit den Gezondheidsraad op Vrijdag 14 Dec. 1945 te 10 uur v.m. in het Instituut voor Tropische Hygiëne te Amsterdam; Vergadering van de Malaria-Commissie uit den Gezondheidsraad op Vrijdag 2 Augustus 1946 te 10 u. v.m. in het Instituut voor Tropische Hygiëne te Amsterdam.


    51. Zwarteveen, Malaria in de Noord-Oostelijke Polder, 30-31, 39-40.


    52. Ibidem, 40-41.


    53. Ibidem, 35 (tabel 4), 38 (tabel 5).


    54. Ibidem, 43.


    55. Zwarteveen, ‘Malariabestrijding’, 39; Zwarteveen, Malaria in de Noord-Oostelijke Polder, 41.


    56. NLE, Collectie RAFl, Archief DW, inv. nr 1989, Rapport van J. Zwarteveen, april 1946.


    57. Zwarteveen, Malaria in de Noord-Oostelijke Polder, 98-99. Zie verder: NA, Archief SZV, Archief Gezondheidsraad, inv. nr 356, Vergadering van de Malaria-Commissie uit den Gezondheidsraad op Vrijdag 14 Dec. 1945 te 10 uur v.m. in het Instituut voor Tropische Hygiëne te Amsterdam.


    58. Zwarteveen, Malaria in de Noord-Oostelijke Polder, 102.


    59. NA, Archief SZV, Archief Gezondheidsraad, inv. nr 356, Notulen van de vergadering van de Malariacommissie uit den Gezondheidsraad op Zaterdag 21 Juni 1947 v.m. in het Instituut voor Tropische Hygiëne, Mauritskade 57a, Amsterdam.
    Het nieuwe land bedreigd
    Noten 60 t/m 70

    60. Zwarteveen, Malaria in de Noord-Oostelijke Polder, 104. Verder: NLE, Collectie RAFl, Archief DW, inv. nr 1990, A.P. Minderhout aan H. Terwey, 23 april 1952.


    61. Zwarteveen, ‘Malaria-bestrijding’, 41. Zie ook: De Noordoostpolder, 8 maart en 19 april 1946.


    62. NA, Archief SZV, Archief Gezondheidsraad, inv. nr 356, Malaria Commission of the Health Council. Minutes of the Meeting on Saturday October 19th, at 10. a.m., in the Institute of Tropical Hygiene, Amsterdam.


    63. Zwarteveen, Malaria in de Noord-Oostelijke Polder, 104.


    64. NA, Archief SZV, Archief Gezondheidsraad, inv. nr 356, Notulen der vergadering van de Malariacommissie uit de Gezondheidsraad van 9 april 1949, in het Instituut voor Tropische Hygiëne te Amsterdam; Notulen der vergadering van de Malariacommissie uit de Gezondheidsraad van 22 april 1950 in het Instituut voor Tropische Hygiëne te Amsterdam.


    65. NLE, Collectie RAFl, Archief DW, inv. nr 1990, Terwey aan de Directie, 25 april 1952; Terwey aan A.P. Minderhout, 15 mei 1952.


    66. NLE, Collectie RAFl, Archief DW, inv. nr 1990, S. Smeding aan de redactie van de Noordoostpoldercourant [moet zijn: De Noordoostpolder], 21 juni 1952.


    67. Zwarteveen, ‘Malaria-bestrijding’, 40.


    68. Verhave, ‘The Disappearance of Dutch Malaria’, 113-114.


    69. Ibidem, 113. Zie ook tabel 10.1 in: L.J. Bruce-Chwatt en J. de Zulueta, The Rise and Fall of Malaria in Europe. A Historico-Epidemiological Study (Oxford 1988) 113.


    70. Voor de oorzaken van het verdwijnen van malaria uit Nederland zie: Van Seventer, The Disappearance of Malaria, 27-41. Voor statistieken over ziekte- en infectiegevallen zie: Bruce-Chwatt en De Zulueta, The Rise and Fall of Malaria, 114.

  • no-profile-image

    br0nnetje

    biologisch? bioboer.... is dat biologisch, een moeras knutselen op plaatsen waar biologisch gezien nooit een moeras zou komen?

    Dat is wel heel nieuwe natuur !

    Van de nieuwe ondersoort "Technonatuur" oftewel knutselnatuur.
    De grond komt goed uit bij allerlei bouwprojecten en het grint is ook verhandelbaar. Geen wonder dat de toelichting bij de Habitatrichtlijn zegt dat de nieuw natuur zichzelf kan onderhouden. Alleen is het dan toch wel een beetje vreemd dat de EU nog subsidie moet geven voor het onderhoud van moerassen. Of dacht U soms dat moerassen onderhoudsvrij zijn?
    Moerassen verlanden als je ze niet onderhoudt, en dan krijg je pas een waterproblematiek.
    Denk goed na bioboer! Hoe weet U dat de nieuwe natuur niet net zoiets is als de nieuwe kleren voor de keizer? Iedereen roept van oh en ah, wat wordt is het mooi, prachtig , prachtig.
    Omdat we dat verwachten van de natuur. Maar wie goed kijkt ziet wat er niet klopt.

    Juist wie biologisch boer zegt te zijn moet altijd opletten.

  • no-profile-image

    Biologisch Boer

    Koetje boe, dank voor jouw reactie, meer natuur daarbij hoort deze natuur,
    wat is natuur, nat en duur, niet controleerbaar in dit kleine land wordt het ingepast, tussen de steden en boeren.
    Niets houdt je nog tegen, bij deze natuur horen dit soort uitbraken. De Mug mag daar dan bijhoren. Niet wenselijk maar wel menselijk het te willen om te recreëren.

  • no-profile-image

    Koetje

    Al is de entstof nog zo snel het virus achterhaalt haar wel.Er komt een leuke tijd voor de dierenartsen een cocktailtje
    hier en een cocktailtje daar.Nog even en we hebben de malariamug ook weer terug met al die nieuwe natuurgebieden en moerassen

Laad alle reacties (1)

Of registreer je om te kunnen reageren.