Home

Achtergrond 2020 x bekeken 5 reacties

'Gezondheidsstudie is klaar, politiek is aan zet'

Onderzoeker Kitty Maassen (RIVM) ziet gezondheidseffecten voor omwonenden bij veehouderijen, soms positief, soms negatief. “Ons rapport stimuleert de politieke discussie.”

Het rapport Veehouderij en Gezondheid Omwonenden had zomaar een andere naam kunnen hebben. Kitty Maassen, die het onderzoek leidde, wilde per se dat het niet de naam van het vorige rapport zou krijgen, dat doorgaans wordt aangeduid als het rapport Intensieve Veehouderij en Gezondheid (IVG). "Ik wilde het per se niet IVG 2 noemen", zegt Maassen. "Ik wilde dat we alle veehouderijbedrijven zouden meenemen, melkvee, geiten et cetera. Alles. Omdat gezondheidseffecten een optelsom zijn van verschillende factoren."

Kitty Maassen (48) is afdelingshoofd Dier en Vector bij het Centrum voor Infectieziektebestrijding van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Zij gaf leiding aan het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden, waarin onderzoekers samenwerkten van het RIVM, het Institute for Risk Assessment Sciences van de Universiteit Utrecht, Wageningen Livestock Research en het Centraal Veterinair Instituut, en NIVEL, het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg.
Kitty Maassen (48) is afdelingshoofd Dier en Vector bij het Centrum voor Infectieziektebestrijding van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Zij gaf leiding aan het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden, waarin onderzoekers samenwerkten van het RIVM, het Institute for Risk Assessment Sciences van de Universiteit Utrecht, Wageningen Livestock Research en het Centraal Veterinair Instituut, en NIVEL, het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg.

Twee weken geleden zat Maassen samen met onder anderen medeonderzoeker Dick Heederik en vertegenwoordigers van de pluimveehouderij aan tafel bij staatssecretaris Martijn van Dam. Namens de sector was alleen de pluimveehouderij uitgenodigd. Kennelijk heeft de politiek ervoor gekozen als eerste het accent te leggen op de pluimveehouderij, constateerde Heederik onlangs op een informatiebijeenkomst voor bestuurders van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie. Heederik meldde dat de onderzoekers in het vooroverleg met de ambtenaren in alle nuances de uitkomsten van het rapport heeft voorgelegd. "Ik heb gezegd dat het niet alleen maar een pluimveeprobleem is", aldus Heederik, die ook aangeeft dat sturen op dieraantallen niet de meest voor de hand liggende weg is om gezondheidsproblemen te voorkomen. Het verminderen van emissie is het belangrijkst en dat kan op verschillende manieren aangepakt worden.

Een voor de veehouderij positieve uitkomst van het onderzoek is dat er geen aanwijzingen zijn dat van dier op mens overdraagbare ziekten (zoönosen) een rol spelen bij de gezondheid van de omwonenden. Omwonenden van veehouderijen zijn niet vaker drager van ESBL-bacteriën of die resistent zijn tegen antibiotica. De veegerelateerde MRSA-bacterie (ook resistent tegen antibiotica) kom weliswaar iets vaker voor bij omwonenden, maar die aantallen zijn zo klein dat er geen conclusies uit te trekken zijn.

Veehouderij een van de veroorzakers van fijn stof

Omwonenden van veehouderijen hebben relatief minder last van allergieën of astma. Ook COPD lijkt daar minder voor te komen. Aan de andere kant komen longontstekingen in het onderzochte gebied (Noord-Limburg, Oost-Brabant) met name in de nabijheid van pluimveehouderijen meer voor dan elders in Nederland. De onderzoekers zeggen dat ook andere vormen van veehouderij het risico op longontsteking kunnen verhogen. Fijn stof en deeltjes van dode bacteriën (endotoxinen) spelen daarbij mogelijk een rol. Het zou ook kunnen dat er specifieke ziekteverwekkers zijn die de longontstekingen vanuit de veehouderij overbrengen naar de patiënt. Hoewel de aanwijzingen daarvoor niet sterk zijn, moet dat nog verder worden onderzocht.

Veehouderijen zijn de belangrijkste leverancier voor endotoxinen in de lucht in de omgeving. Voor fijn stof is de veehouderij een van de veroorzakers, naast industrie en verkeer.

Onderzoeksrapport maakt veel los

De Brabantse landbouwbestuurders legden de onderzoekers het vuur na aan de schenen. Het onderzoeksrapport maakt veel los, merkt Maassen. Ze moet wennen aan de vragen die ze krijgt, die zijn duidelijk anders dan wanneer ze met collega-wetenschappers of omwonenden praat.

Schrikt u van de reacties?

Eigenlijk vind ik de reacties erg meevallen. Je ziet dat het rapport de politieke discussie stimuleert. Dat was ook wel de bedoeling. Natuurlijk zijn er altijd vragen waarom we iets gedaan hebben, of juist waarom we iets niet uitgezocht hebben.

Zoals?

Bijvoorbeeld waarom we niet gekeken hebben naar de gezondheid van veehouders. Ons is heel specifiek de vraag gesteld wat de gezondheidseffecten voor de omwonenden zijn van de veehouderij. Naar de effecten op veehouders en hun werknemers worden en zijn al heel veel onderzoeken gedaan. Eigenlijk vormen die onderzoeken de basis voor deze studie. En sommige effecten die we bij veehouders zien, zien we nu ook bij omwonenden.

U gebruikt heel vaak de termen 'waarschijnlijk' of 'mogelijk' in het rapport.

Het is opvallend dat we daar mee geconfronteerd worden. We hebben geprobeerd zo genuanceerd mogelijk onze bevindingen op te schrijven. Er ligt een spanning tussen duidelijkheid en genuanceerdheid. De één vindt ons te genuanceerd, de ander juist te stellig.

U hebt geen oorzakelijk verband kunnen leggen tussen gezondheidsproblemen bij omwonenden en de bedrijven waarbij ze wonen.

Dit is een epidemiologische studie die op één moment is uitgevoerd en zich niet over een langere periode uitstrekt. Dan kun je oorzaak en gevolg nooit volledig uit elkaar trekken en laat je het verband tussen het één en het ander zien. Dat verband kan sterk of zwak zijn, maar hoeft niet altijd oorzakelijk te zijn, daarom de voorzichtigheid. Het bijzondere van dit rapport is dat we van verschillende kanten naar de verbanden kijken, en dan zien we steeds hetzelfde.

Kunt u daarvan een voorbeeld geven?

Mensen met COPD kwamen er op verschillende manieren uit als een risicogroep die te kampen heeft met meer luchtwegproblemen, als ze in de buurt van veehouderijbedrijven wonen. En dat zien we als we kijken naar de gegevens van meer dan 100.000 elektronische patiëntendossiers van huisartsen in het onderzochte gebied, we zien het ook bij de 15.000 mensen die een vragenlijst hebben ingevuld en we zien het ook bij medische onderzoeken onder 2500 mensen.

Tegelijk stelt u dat rond bedrijven met vee minder mensen last hebben van COPD.

Dat is iets anders. Er is geen relatie tussen het ontstaan van COPD en veehouderijen. We weten niet waarom er minder mensen met COPD wonen rond veehouderijbedrijven. Maar als ze COPD hebben, hebben ze duidelijk meer last als ze in de buurt van een veebedrijf wonen. Als je dat op zo veel manieren laat zien, kun je echt zeggen dat COPD'ers meer luchtwegproblemen hebben als ze dichtbij een veehouderij wonen.

Toch blijft het verwarrend: mensen met COPD hebben meer last als ze dichtbij veehouderijen wonen en tegelijk zijn er rond veehouderijen minder mensen met COPD.

Dat kunnen we niet verklaren. Misschien verhuizen mensen met COPD vaker. We hebben dat met behulp van de huisarts gegevens proberen uit te zoeken, maar dat kon maar over een korte periode. We hebben er geen aanwijzing voor gevonden. Het blijft een onverklaarbare bevinding.

Misschien heeft het wonen bij een veehouderij juist een positief effect?

Voor astma en allergieën kun je dat zeker zeggen. Kinderen van de boerderij of die vaak met dieren in contact zijn geweest, hebben minder last van allergieën en astma. Maar bij COPD gaat dat niet op.

U legt statistische verbanden tussen de veehouderij en de gezondheid van omwonenden. Zijn er geen andere factoren die een rol kunnen spelen bij de negatieve gezondheidseffecten?

We hebben in de vragenlijsten heel veel aan de mensen voorgelegd, zoals eetgewoonten, vrijetijdsbesteding, of ze roken, of ze huisdieren hadden, hoe lang ze al in de buurt van veehouderijen woonden en of ze veel bij boerderijen op bezoek kwamen. Voor bekende andere risicofactoren hebben we altijd gecorrigeerd. De relaties die we zien zijn robuust. Het lijkt me onwaarschijnlijk dat er andere factoren dan veehouderijbedrijven een belangrijke rol spelen bij de verminderde longfunctie in de omgeving van veehouderijen en toenemende luchtwegklachten bij mensen met COPD.

U sluit andere factoren uit?

We kunnen niets uitsluiten. Het blijft statistiek. Er blijft altijd een kleine kans dat het anders is. Maar wij gaan daar niet vanuit.

U concludeert dat longfunctievermindering komt door omgezet ammoniak tot fijn stof.

Dat is onze hypothese.

Hoe beredeneert u dat?

We hebben bij 2.500 mensen de longfunctie gemeten. Bij de analyse van de metingen hebben we ook de gegevens betrokken over de fijnstofgehalten en ammoniak in de lucht in de periode voorafgaand aan de longfunctiemetingen. Wat we zagen is dat de longfunctie gemiddeld iets lager was op dagen nadat er een hoog ammoniakgehalte in de lucht was. We weten uit andere onderzoeken dat ammoniak in de lucht met stikstofoxiden (verkeersluchtverontreiniging) kan worden omgezet in fijn stof. De ammoniakgehalten zelf zijn te laag om op grond daarvan een verminderde longfunctie te kunnen verklaren. Wie een fles ammonia opendoet, ademt vele malen meer ammoniak in.
We denken dat het ontstaan van fijn stof door de hogere ammoniakconcentraties leidt tot de verminderde longfunctie. De verminderde longfunctie is voor gezonde mensen geen probleem, die merken dat niet eens. Maar voor mensen met COPD kan dat klachten wel verergeren.

Speelt dit alleen in het onderzochte gebied in Noord-Brabant en Limburg?

Daar hebben we het gevonden. Maar omdat ammoniak zich in de lucht veel verder verplaatst, verwachten we eigenlijk dat dit zich ook elders in Nederland voordoet. Dat moeten we onderzoeken. We kunnen wat we in dit gebied gevonden hebben niet zomaar één op één vertalen naar andere gebieden.

Moet het aantal dieren verminderen?

Als er minder dieren zijn, zal de emissie ook minder zijn. Maar uit het oogpunt van volksgezondheid gaat het om het verminderen van de emissie van stoffen die de gezondheid kunnen schaden. Dat kan ook door aanpassing van stalsystemen of ander mestmanagement.

Laatste reacties

  • schepens

    Wat een onzin als dit echt klopte dan werd een veehouder niet ouder als 50 jaar omdat alles toch zo ongezond is!!! Maar wij leven net zo lang als een ander die niet bij een veehouderij wonen. Wat vele malen erger is maar waar natuurlijk geen onderzoek na is gedaan want dit kan niemand missen zijn de auto's etc. We moesten als veehouders alles een week lang weg gooien dan zou er veel veranders gedacht worden en denk niemand meer aan die onzin van fijnstof

  • oorspronkelijk

    demonstraties revoluties wetenschap
    deze uitingsvormen zijn er om maatschappelijke problemen op te lossen of sturing aan te geven.
    sta open voor maatschappelijke oplossingen van vraagstukken
    kont tegen de krib is niemand bij gebaat
    vinger in de pap moet het motto zijn

  • zon

    Er staat dat de pluimveesector was uitgenodigd bij het overleg.
    Waarom gaat die afvaardiging daar naartoe?
    Je moet zeggen dat je het rapport niet erkent en niet gaan,dan maak je een vuist.
    Nu is die zogenoemde afvaardiging van de pluimveesector medeverantwoordelijk voor de maatregelen die aanstaande zijn.
    Hoeveel erkenning onder de pluimveehouders heeft trouwens het LTO/NOP als zijnde belangenbehartiger voor de pluimveesector?

  • Wv01


    Ga toch een eind weg met die onzin... ken gelukkig zo veel oudere boeren.
    Die gezonder geleeft hebben dan menig stedeling!! Ga daar is onderzoeken, en laat dat platteland is een keer met rust!

  • A de v

    De landbouw en dan in het bijzonder de veehouderij ligt onder het vergrootglas. Niets is meer goed en alles moet anders, vooral duurzamer , diervriendelijker, milieu bewuster en meer in overeenstemming met de omgeving. Dit rapport is hier ook weer een voorbeeld van en het eind is nog niet in zicht denk ik.

Laad alle reacties (1)

Of registreer je om te kunnen reageren.