Home

Achtergrond 4911 x bekeken

‘Naar de bank gaan was er niet bij’

In hun jeugd was het meeste werk nog handwerk. Toen ze zelf boer werden, gingen ze specialiseren, uitbreiden en mechaniseren. Ze werden zo de grondleggers van de huidige agrarische bedrijfsvoering. Zo ook Johan Wolters.

De plek waar Johan Wolters woont, staat bol van de geschiedenis. Gelegen in de uiterwaarden, vlak aan de rivier de IJssel, was het vroeger meer dan alleen een boerderij. Het was tevens een soort overslagplaats voor goederen die via de rivier vervoerd werden. En aan de boerderij was een herberg gekoppeld. “Het was hier altijd druk”, herinnert Wolters zich.

Zijn vader kwam in 1934 op het bedrijf in het Gelderse Gorssel, dat eigendom was en bleef van zijn oma. Er waren 3 melkkoeien, 5 vleesvarkens, wat kippen en een beetje akkerbouw. Ze verbouwden voederbieten, rogge, gerst en haver. “Geen tarwe. We zitten hier namelijk op zandgrond, de zogenaamde IJsselduinen.”

Beweeg over de iconen voor meer informatie en beelden

Johan hoefde als kind niet per se mee te werken. “Melken mocht pas als je 14 jaar was. Op die leeftijd had je genoeg kracht in je vingers, vond mijn vader. Want het was natuurlijk wel allemaal handwerk.”

In de schuur stond wel een melkmachine. “Geen idee hoe die daar kwam. Dat het een melkmachine was, wisten we alleen omdat ons dat verteld werd. We vonden het maar een raar apparaat, met al die buizen en kraantjes.” Hoewel melken pas mocht als je 14 was, was het niet zo dat Johan daarvoor niets deed op het bedrijf. Hij liep bijvoorbeeld graag samen met zijn vader achter het ploegend paard. “De aarde die opkrulde en dan ondersteboven weer neerviel, dat vond ik mooi om te zien.”

Bij Wolters thuis was het paard nog lang in gebruik. 
Johans vader zag de noodzaak van een trekker niet zo.
Bij Wolters thuis was het paard nog lang in gebruik. 
Johans vader zag de noodzaak van een trekker niet zo.

Aan de frontlinie

Aanvankelijk kwam van rustig ploegen niets. Johan was 3 jaar oud toen de oorlog uitbrak. “We zaten aan de front-linie en de Duitsers waren overal. Ze wilden hier namelijk een brug bouwen over de IJssel en loopgraven graven. Ze aten in onze schuur, zaten in de herberg, liepen over ons erf. Je kon niks ongezien doen.”

Evengoed verdween er wel eens een koe of varken voor eigen gebruik. “Eens in de zoveel tijd moest je aan de Duitsers vee leveren, zo heette dat. Mijn vader zei dan tegen ze: die koe wordt morgen geleverd. Vervolgens liet hij de huisslachter vroeg in de ochtend komen. De koe werd geslacht en voor de Duitsers er waren, lag het vlees in de voorraadkelder. Daar kwamen ze nooit. Dat er een koe minder in de stal stond, vonden ze niet gek. Mijn vader had immers gezegd dat die ‘geleverd zou worden’.”

Loopgraven onhandig

Buitengewoon onhandig waren de loopgraven die de Duitsers groeven. “De geulen liepen dwars door het land en over het erf, vlak voor de schuurdeur langs. We moesten over planken de schuur in en uit.” Johan weet nog dat de geulen vol water liepen toen het hoogwater werd en de rivier buiten haar oevers trad. “De Duitsers riepen ‘sabotage’ en iedereen moest met emmers komen om te hozen. Zinloos natuurlijk. Ik vond het maar dom volk, die Duitsers.”

Het hoge water kwam soms wel heel erg dicht bij het huis en de stallen, één keer stond het tot 1 centimeter onder de drempel.
Het hoge water kwam soms wel heel erg dicht bij het huis en de stallen, één keer stond het tot 1 centimeter onder de drempel.

Groen en geel ergerde hij zich aan wat hij ‘lomp gedrag’ noemt. “De Duitsers vertrapten de omheining langs de IJssel. Daardoor zwommen onze koeien naar de overkant als hier het gras op was. Maar vervolgens mocht je ze niet halen.”

Dat zwemmen over de 140 meter brede rivier, was lang de gewoonte als de koeien naar de overkant omgeweid werden. “Toen later de scheepvaart toenam, werd het te gevaarlijk en moesten we 3 uur lopen via de brug bij Deventer. De roeiboot was alleen geschikt om mensen over te varen voor het melken.”

Bevrijding

Dat de Canadezen op 5 april 1945 ineens in de straat stonden, kwam als een verrassing. De Duitsers verschansten zich aan de overkant van de IJssel en toen de Canadezen ook overstaken, werd de boerderij in brand geschoten. “Het was een vroeg voorjaar, de koeien liepen toevallig al in de wei, maar jongvee en varkens zijn verbrand. Net als al onze spullen. We hadden niets meer, geen stoel, geen bed, geen beddengoed.”

3 jaar lang woonde de familie in een leegstaand huis verderop. De vader van Johan wilde het bedrijf weer opbouwen, maar oma, toen nog eigenaar, niet. “Uiteindelijk kocht mijn vader het bedrijf van haar, werd aangemerkt als oorlogsslachtoffer en kreeg een schadevergoeding om het bedrijf te herbouwen.”

Paard of trekker

Gaandeweg kwam het gewone leven weer op gang. Johan ging naar de landbouwschool; nadien kon hij bij een bekende boer aan de slag omdat er thuis niet genoeg werk was. Die boer kocht met Marshallhulp een trekker en stimuleerde dat ook Johan ermee leerde rijden. “De man die hem af kwam leveren, legde kort uit hoe het moest, reed even een rondje mee, en dat was het.”

Thuis zou het nog een tijd duren voor de eerste trekker er kwam. Johans vader zag de noodzaak niet zo. Tot op een dag in 1970 het werkpaard ineens dood neerviel. “Hartaanval, het dier was twintig jaar oud. Inmiddels zat ik in de maatschap. Mijn vader vroeg: wil je een nieuw paard? Maar ik wilde een trekker.”

Nadat het werkpaard ergens rond 1970 spontaan dood was neergevallen, kwam er een trekker. Eerst trok die alleen de platte wagen, later ook werktuigen.
Nadat het werkpaard ergens rond 1970 spontaan dood was neergevallen, kwam er een trekker. Eerst trok die alleen de platte wagen, later ook werktuigen.

Het werd een Ferguson van 26 kW (35 pk) waar ze eerst nog helemaal geen machines voor hadden. “We hingen onze platte wagen erachter en haalden er hooi mee op.” Machines volgden snel. Een maaibalk, schudder, meststrooier en een ploeg. “En alles werd cash betaald.” Naar de bank gaan, was er sowieso niet bij. De hypotheek op het bedrijf was verstrekt door een vermogende hereboer uit de buurt. “Een heel schappelijke man, aflossen hoefde van hem bijvoorbeeld niet. Dat gaf ons ruimte om te investeren, zoals in de bouw van een varkensstal.”

Want varkens, daar wilden Johan en echtgenote Gerry mee verder nadat ze het melkvee hadden afgestoten. “We molken 12 koeien toen de verplichting kwam een melkkoeltank aan te schaffen. Dat kon bij ons niet uit.”

Zelf varkensstal bouwen

Eigenhandig werd, met hulp van familie, een stal voor 60 zeugen gebouwd. Terwijl de trend voor koeien richting losloopstallen ging, gingen zeugen vast, aan de band. “Dat vond ik niks. Alle dieren zaten hier op stro en liepen los.” Voor de dragende zeugen waren er voerligboxen om ze individueel te kunnen voeren. Niet met dosators maar met de hand.
Wolters draaide mee in de top 10. “We haalden 22 tot 23 levend geboren biggen per zeug per jaar. Dat was toen heel veel.”

Lage biggenprijzen en verplichte investeringen

De lage biggenprijzen en verplichte investeringen maakten dat in 1998 het besluit viel te stoppen met de varkens. “Het voelde wel raar. Ik was gewend ’s ochtends te voeren, nu ging ik met de hond wandelen.” De oplossing kwam snel: hij kon aan de slag bij een nabijgelegen landgoed. En thuis had hij zijn akkerbouwtak nog. Vervelen deed hij zich niet.

Niettemin besloot hij onlangs ook de akkerbouwtak te verkopen. 2,5 hectare houdt hij nog aan. “Een collega maait en voert het gras en zelf hooi ik een stukje voor de pony van de kleinkinderen. Ik ben en blijf boer natuurlijk.”

Johan Wolters voor de huidige boerderij. Die is mede opgebouwd met geld voor oorlogsslachtoffers, nadat de oude boerderij afbrandde tijdens de bevrijding.
Johan Wolters voor de huidige boerderij. Die is mede opgebouwd met geld voor oorlogsslachtoffers, nadat de oude boerderij afbrandde tijdens de bevrijding.

Meedoen aan deze rubriek Grondleggers? Of iemand opgeven?
Mail naar: margreet.welink@reedbusiness.nl
of schrijf naar: postbus 4, 7000 BA, Doetinchem

Of registreer je om te kunnen reageren.