Home

Achtergrond 2394 x bekeken

Ook in de Gouden Eeuw was boer specialist

Specialisatie in de landbouw is niet pas begonnen in de twintigste eeuw. Ook in vorige eeuwen legden boeren zich toe op een beperkt aantal producten. De Hollandse boer in de Gouden Eeuw produceerde ook al voor de internationale markt.

Dr. Jan Bieleman publiceerde in 2008 het boek Geschiedenis van de landbouw 1500-2000. Echte specialisten, zoals bedrijven die zich alleen richten op de opfok van biggen of de productie van pootaardappelen zijn een verschijnsel van de afgelopen decennia. Een akkerbouwer had tot de tweede wereldoorlog ook altijd een kleine veestapel voor de mest, om vlees op tafel te hebben en om risicospreiding te doen. Maar ook in vroeger eeuwen waren Nederlandse boeren specialisten. In de zeventiende eeuw waren ze volgens Bieleman een motor voor de economie.
De specialisten waren onder andere te vinden in Holland. Daar, dicht bij de scheepswerven, waren bedrijven die hennep teelden voor de zeilen en touwen die nodig waren in de voor de bloeiende scheepsbouw. De hennep werd doorgaans gecombineerd met rundveehouderij. In het veenweidegebied met zijn karakteristieke lange kavels stonden de koeien. Aan de kop van elke kavel stonden de hennepplanten die ruim werden bemest met de mest die de koeien leverden.

De innovatieve gespecialiseerde landbouw heeft zich niet in Nederland ontwikkeld vanwege de gunstige omstandigheden, maar vooral vanwege de bloeiende economie in de steden. Voor de Nederlandse opstand was niet Holland, maar Vlaanderen de regio met de meest innovatieve boeren. Bieleman: ‘De landbouw verhuisde uit Vlaanderen met de stedelijke economie mee.’
De gespecialiseerde boeren zetten hun producten af in heel West-Europa. Het Rijnland bij Leiden en Delfland waren bijvoorbeeld beroemd om hun boter. Zij produceerden niet alleen voor de omliggende steden, maar exporteerden tot ver over de grenzen. Bieleman: ‘De Engelse ambassadeur merkte ooit verbaasd op dat de Hollandse boeren hun boter verkochten, maar zelf goedkope Schotse en Ierse boter gebruikten.’ Noord Holland vollemelksekaas werd ook toen al geëxporteerd naar Frankrijk en Spanje. In Zeeland produceerden akkerbouwers meekrap waaruit een kleurstof werd gewonnen die werd verkocht aan textielfabrikanten in de republiek, maar ook in Engeland en andere buurlanden.

Ook de tabaksteelt was aan het eind van de zeventiende eeuw een economische sector van belang. De teelt breidde tussen 1660 en 1720 enorm uit aan de westrand van de Veluwe. Wageningen, Nijkerk, Amersfoort waren centra van de tabaksteelt, die zich qua omvang kon meten met de Amerikaanse. De vroeg achttiende eeuwse Frau Antje zou niet alleen kaas hebben gepromoot, maar ook sigaren en snuiftabak. Bieleman: ‘De waarde van de inlandse tabaksteelt was op een gegeven moment net zo groot als de waarde van de geproduceerde kaas.’

Foto

WUR

Of registreer je om te kunnen reageren.