Home

Achtergrond 470 x bekeken

Stikstof in het milieu: terugdringen van de onbalans als grote opgave

De grootste en meest in het oog lopende schade die de agrarische sector toebrengt aan het milieu is de depositie van stikstof in de bodem, oppervlaktewater en atmosfeer. Dat is de conclusie van Rik Leemans, hoogleraar Milieusysteemanalyse aan Wageningen University. Tegelijkertijd is hij optimistisch over de kans dat de sector zelf op termijn het probleem substantieel weet terug te dringen.

Het grootste probleem rond stikstof, legt Leemans uit, is dat relatief weinig stikstof uit mest en kunstmest wordt opgenomen door de planten.

Daarnaast is er een onbalans, en dan vooral geografisch gezien, van de productie van grondstoffen voor veevoer en de productie van mest. Belangrijk bestanddeel van veevoer is soja, afkomstig uit landen als Brazilië. Na transport zet de veestapel elders, bijvoorbeeld Nederland, dat droge veevoer efficiënt om in stikstofrijke natte mest.

Het is economisch niet rendabel om deze zware mest terug te transporteren naar de akkers waar het veevoer oorspronkelijk vandaan kwam. De kringloop wordt niet gesloten. Gevolg is dat we hier (nog steeds) met een overmaat aan stikstof zitten, die we vervolgens niet goed weten te verwerken. Bij beleidsmakers heet dit probleem ‘vermesting’ van het landschap.

Landbouw en veeteelt hebben zelf, historisch gezien, indirect fors bijgedragen aan het ontstaan van het vermestingsprobleem. Efficiënte voedselproductie met mest en kunstmest heeft bijgedragen aan de exponentiële bevolkingsgroei. Door de nog sterkere economische groei wil de mensheid ook nog eens een luxere voeding, met meer vlees in het dieet. Bevolkingsgroei en economische groei zijn daarmee als elkaar versterkende factoren, debet aan de majeure toename van stikstof in bodem, water en atmosfeer.

Smog
Overigens is de erkenning van de overmatige stikstofdepositie als milieuprobleem nog maar enkele decennia oud. Het kwam pas naar voren toen een veel ernstiger bron van bodem-, lucht- en watervervuiling was opgelost, aldus Leemans. In het begin van de vijftiger jaren besefte men dat er dringend iets moest gebeuren aan het ernstige smogprobleem in grote steden (de beruchte Londen Smog), legt hij uit. Die werd vooral veroorzaakt door zwavelhoudende brandstof, als steenkool en zware olie, in de industrie, voor de verwarming van huizen en in het transport.

In de jaren 60, toen in Nederland de gasbel onder Slochteren werd ontdekt, werd hier op zeer korte termijn overgegaan op het veel schonere aardgas als brandstof. Leemans: “Dat was bijna een militaire operatie. Binnen vijf jaar was 90 procent van alle huishoudens op het gasnet aangesloten en werden de Limburgse mijnen gesloten. Het milieu, vooral het tegengaan van luchtvervuiling en zo het verbeteren van de volksgezondheid, speelde daarbij een grote rol, naast economische argumenten.”

Dat het zeer ernstige milieuprobleem toen zo snel werd aangepakt, komt volgens Leemans vooral door de grote zichtbaarheid van de bronnen, zoals de industrie en het transportwezen. Eenmaal grotendeels opgelost, kwam het relatief minder ernstige probleem van de onbalans van de stikstofdepositie naar voren. Dat daar al jaren over wordt gesproken en aan gesleuteld, heeft volgens hem vooral als oorzaak dat de bron, de agrarische sector, veel diffuser is, met een ontelbaar aantal kleine bronnen. Leemans: “Het is erg moeilijk om iemand direct aansprakelijke te stellen. Het probleem zit ‘m vooral in de cumulatie van al die kleine bronnen.”

Innovatie
Willen we de overmaat aan stikstof in de grond, het oppervlaktewater en de lucht terugdringen, dan hebben we volgens Leemans op de keper beschouwd twee mogelijkheden: het ter plekke wegwerken van het stikstofoverschot, óf de stromen van stikstofhoudende producten naar hier te verkleinen, of beide. Hij is optimistisch over de kans dat de sector het probleem op termijn zelf oplost, of op z’n minst fors weet terug te dringen. Leemans: “Je ziet al dat in de sector het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen substantieel minder is. Hetzelfde geldt voor het gebruik van kunstmest, omdat dat almaar duurder wordt en omdat erkend wordt dat veelvuldig gebruik belastend is voor de eigen grond.”

In dat verband pleit Leemans ervoor dat op mondiaal niveau de subsidies op kunstmest die nog overal bestaan (vaak in de vorm van erg goedkope energie voor kunstmestproducenten), af te schaffen. Nu hebben die vooral als reden boeren in leven te houden, zegt hij, maar is het een perverse prikkel om niet te innoveren. Dat moet juist wel gebeuren om bijvoorbeeld het stikstofprobleem aan te pakken.

Slimme boeren
Met goede randvoorwaarden kan de agrarische sector naar de mening van Leemans zeer innovatief zijn. Hij wijst op een onderzoek naar de nucleaire industrie in Frankrijk. Die bleek in tientallen jaren niet te hebben geïnnoveerd en dat werd vooral geweten aan de topdown-aansturen van deze sector. Leemans: “Als je beseft dat de agrarische sector bij uitstek individualistisch is en daarmee vooral bottom-up werkt, zie je het tegendeel. Slimme boeren kunnen het verschil maken. Mits niet ingekapseld werken ze heel vernieuwend.”

Als voorbeelden, dicht bij zijn eigen vakgebied, noemt hij precisie-landbouw, waarbij de mestgift per vierkante meter via navigatiesystemen wordt afgestemd op de bodem- en gewasbehoeften, en stroken met wilde planten langs akkers en sloten, waardoor minder stikstof uitspoelt, de biodiversiteit toeneemt en eventueel ook biologische bestrijding wordt gestimuleerd.

No-tillage
Leemans meent ook dat de agrarische sector moet werken aan het terugdringen van haar aandeel in de klimaatopwarming. Zelf gaat hij ervan uit dat die 20 procent is, een substantieel aandeel dus. Leemans: “Vaak wordt beweerd dat dat aandeel substantieel hoger is, maar het is maar hoe je rekent en wat je er bij telt. Ik vind 20 procent een reëel getal.”

Als voorbeeld noemt hij het ‘no-tillagefarming’ in de VS. Daarbij wordt de grond niet geploegd en gecultiveerd voor ze wordt ingezaaid. Op die manier wordt er meer organisch materiaal en stikstof vastgelegd in de bodem en wordt bodemerosie tegengegaan. Beide aspecten dragen bij aan het verminderen van het vrijkomen van broeikasgassen. Overigens tekent hij erbij aan dat bodemerosie in de landbouw daar een veel groter probleem is dan in Nederland. Maar no-till landbouw zou ook hier positief kunnen uitwerken.

Foto

WUR

Of registreer je om te kunnen reageren.