Home

Achtergrond 229 x bekeken

Snel resultaat essentieel voor fosfaatplannen veehouderij

Wil de Nederlandse veehouderij een reductie van het aantal dieren in 2013 voorkomen, dan moet dit najaar al een duidelijk begin worden gemaakt met beperking van de fosfaatuitstoot. Nog dit jaar moet het overschot met minimaal 3 tot 4 miljoen kilo fosfaat terug, en dat resultaat moet vooral worden geboekt door de inzet van veevoer met een lager fosfaatgehalte.

De rijksoverheid, de diervoerindustrie en LTO Nederland zien met spanning uit of die benodigde fosfaatreductie er ook echt komt. Niet dat ze alles maar op hun beloop laten. Zo is er voor de rundveehouderij een convenant afgesloten tussen de Nederlandse Vereniging voor de Diervoerindustrie (Nevedi) en LTO Nederland om de fosfaatreductie vorm te geven. Voor de varkenshouderij zijn eveneens afspraken, waarbij ook de Nederlandse Vakbond Varkenshouders (NVV) wordt betrokken (al is die organisatie geen officiële overlegpartner).

Nevedi-directeur Henk Flipsen hoopt dat alle partijen die belang hebben bij de fosfaatreductie hun eigen verantwoordelijkheid opnemen. “Iedereen moet zijn of haar steentje bijdragen; de veevoerindustrie, de verwerkende industrie die natte bijproducten produceert, de veehouders en ook de afnemers van hun producten. Op zich is de keuze duidelijk: Je onderneemt nu actie, en dat resulteert waarschijnlijk in iets hogere voerkosten, of je wordt in 2013 geconfronteerd met een generieke krimp van de veestapel.”

Dat gaat iedereen nog veel meer kosten, weet Flipsen. “Op het eerste gezicht lijkt de keuze eenvoudig. Je pakt het probleem nu aan, maar of iedereen dat doet, blijft nog even spannend. De urgentie van een omslag wordt nog niet door iedereen gevoeld. Misschien dat sommige mensen denken: op mijn bedrijf is de fosfaatbalans in orde, dus ik hoef geen fosfaatarm voer. Of ze denken: laat mijn buurman, die zo sterk heeft uitgebreid, maar iets extra’s doen. Dat gaat echter niet werken, vrees ik. Iedereen moet nu een steentje bijdragen.” En, eerlijk is eerlijk, ook in de veevoerindustrie zelf waren sommige bedrijven nog geneigd om even te kijken hoe de anderen hun laag-fosfaat veevoer in de markt zetten, geeft Flipsen toe. “Dat is gelukkig veranderd.”

De Nevedi ziet er op toe dat de veevoerindustrie zich houdt aan de gemaakte afspraken. Veevoerbedrijven moeten alle fosfaatarm voer kunnen aanbieden en dat product duidelijk onder de ogen van de afnemer brengen. Dit voer kost op dit moment zo’n 20 tot 50 cent per 100 kilo extra, maar zal qua voederwaarde niet onder doen voor het gangbare voer, stelt Flipsen. Vrees voor mindere voerresultaten, zoals in sommige kringen leeft, is naar zijn overtuiging niet nodig.

Veehouders doen er volgens Flipsen goed aan om eerst een zogenoemde P-toets (‘Bex-light’ voor rundveehouders) te laten doen. Dat is een controle van de fosfaatbalans op bedrijfsniveau. Dat maakt duidelijk waar ze staan en welk voer nodig is om het fosfaatgebruik te beperken.
Veehouders dwingen om fosfaatarm voer te gebruiken, gaat niet. “Maar elke veehouder die weet wat er op het spel staat en oog heeft voor de signalen vanuit de samenleving, zal een steentje bij willen dragen,” meent Flipsen. Voerbedrijven brengen fosfaatarm voer via gerichte publiciteit onder de aandacht van veehouders. De resultaten van deze fosfaatacties worden door de Nevedi gevolgd. Vervolgens worden dee monitoringsgegevens besproken met convenantspartner LTO en doorgespeeld naar het ministerie van EL&I.

Staatssecretaris Henk Bleker heeft deze gegevens nodig voor zijn discussie met de Europese Commissie. Bleker moet dit najaar al eerste resultaten van het reductieplan kunnen tonen aan Brussel. Volgend jaar heeft hij nog meer harde gegevens nodig om goedkeuring te kunnen krijgen voor een nieuwe derogatie van het mestbeleid vanaf 2013. Voor Bleker is de noodzaak om met gunstige gegevens naar Brussel te kunnen gaan des te groter omdat de Nederlandse veehouderij in de voorbije paar jaren over het fosfaatplafond heen ging.

Met voermaatregelen moet het mestoverschot tot 2015 met 20 miljoen kilo fosfaat worden beperkt. Mestbe- en verwerking moet zorgen voor nog eens 15 miljoen kilo reductie, terwijl export moet zorgen voor de resterende 15 miljoen kilo. In totaal moet de mestproductie tot 2015 met 50 miljoen kilo fosfaat worden beperkt. Dan is de mestmarkt naar verwachting in evenwicht.

Om te zorgen dat de veevoersector de gestelde doelen bereikt (samen met de veehouders), wordt naast een convenant ook een productschapsverordening voorbereid. Echter, ook daar moeten nog partijen over de streep worden getrokken. Zo aarzelen de producenten van natte bijproducten nog over de vraag of ze met die verordening moeten instemmen. Een aantal van hen vreest namelijk dat de fosfaatmaatregelen sterk ten koste zullen gaan van de afzet van enkele fosfaatrijke producten. Bepaalde soorten tarwegistconcentraat - met name die soorten die zijn opgewerkt uit tarwezetmeel - en ook bierbostel bevatten vrij veel fosfaat en zouden uit de markt geprijsd kunnen worden. De veevoerindustrie hoopt deze vrees te kunnen ondervangen door samen met deze bijproduct-producenten te zoeken naar (technische) oplossingen, waardoor het product bijvoorbeeld met minder fosfaat de markt op kan. Flipsen: “Voorkomen moet worden dat partijen afhaken of de kont tegen de krib gooien, want dat zal zich uiteindelijk tegen iedereen keren. Als vrijwillige fosfaatreductie niet werkt, volgt gedwongen krimp van de veestapel en dat gaat bij iedereen ten koste van de bedrijfsefficiëntie.” Ook bij diegenen die nu mogelijk nog denken dat het een probleem van anderen is. Flipsen roept alle veehouders in Nederland op om zélf actie te ondernemen en niet af te wachten tot anderen de grenzen van hun bedrijfsvoering verder gaan invullen. “Als er onduidelijkheden zijn ……..schroom niet om je voerleverancier aan te spreken en te vragen om een P-toets en fosfaatarm voer. Nú!”

Foto

Of registreer je om te kunnen reageren.