Home

Achtergrond 1158 x bekeken

'Dringend behoefte aan duidelijkheid over doden'

Dieren doden om economische redenen is een uiterst controversieel onderwerp. Waar zit dat toch in? Hoogleraar Elsbeth Stassen bepleit twee dingen: duidelijkheid voor de veehouders over wat acceptabel is, én een discussie die niet alleen over techniek gaat maar over morele waarden.

Een dier doodmaken. Wanneer mag het wel en wanneer niet? En waarom dan niet? Dit is een van de gevoeligste thema’s in de veehouderij. Een kwestie waarop het grote publiek zeer emotioneel kan reageren. Professionals in de sector winden zich op over de vaak selectieve verontwaardiging van burgers en dierenorganisaties over dierenleed en dierendood.

Vooral het doden van ’gezonde’ dieren om ’economische redenen’ gaat er niet in. Juist dit onderwerp lijkt weer actueel nu er berichten zijn dat onder druk van de slechte resultaten in de varkenshouderij zwakke biggen minder zorg krijgen van de boer, en soms zelfs afgemaakt (geëuthanaseerd) worden.

In de wetgeving is op het oog keurig geregeld wanneer en hoe mensen dieren mogen doden. Het staat in twee artikelen in de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren. In artikel 43 zijn vier redenen omschreven wanneer het doden van dieren acceptabel is. Dat zijn: als het gebeurt ten behoeve van dierlijke productie; bij de bestrijding van dierziektes; als het nodig is vanwege acute bedreiging van mensen, of als een dier ondraaglijk en uitzichtloos lijdt. In artikel 44 staat hoe dat doden dan mag gebeuren en door wie. De discussie over onverdoofd slachten ging hierover.

Elsbeth Stassen is bijzonder hoogleraar Dier en Samenleving aan de Leerstoelgroep Dierlijke productiesystemen aan Wageningen UR. Ze heeft een veterinaire achtergrond en houdt zich bezig met de ethische vragen die leven rondom dierhouderij. Zij wijst erop dat bij alle genoemde redenen om dieren te doden kanttekeningen te maken zijn, waardoor er veel ruimte is voor discussie. Bijvoorbeeld: wanneer is lijden ondraaglijk, en hoe gevaarlijk moet die agressieve hond zijn, wil je het recht hebben om hem dood te schieten?

Onderzoek dat onder haar leiding gebeurde naar de overtuigingen van burgers, veehouders en dierenartsen wijst uit dat die het doden van dieren voor dierziektebestrijding bijvoorbeeld niet zomaar accepteren. ”Als er geen groot risico is voor mensen, of het nut van zo’n bestrijdingsmethode alleen het handhaven van de exportpositie van de sector betreft, is er weinig draagvlak voor.” Een ander heikel punt is uitzichtloos lijden. ”Als je een dier niet behandelt bij bijvoorbeeld een botbreuk, volgt een lijdensweg. Maar mag je het dan afmaken, of had je het dier moeten behandelen? En wie mag het dier dan doden, en hoe? Bij het vervoer van wrak vee speelt die discussie.”

Enkele jaren geleden, na een rel om biggen die levend in kadavertonnen waren gevonden, is een werkgroep ingesteld met mensen van het ministerie en de sector, om duidelijkheid te scheppen voor de praktijk. Volgens Stassen heeft de sector dringend behoefte aan duidelijkheid. In welke gevallen mag de boer zelf een dier doden en wanneer niet?

De werkgroep heeft onder meer verschillende dodingsmethodes besproken zoals schietmaskers, koolzuurgas en doodspuiten. Het accent ligt op de bevoegdheden voor de veehouder om dieren te mogen doden en de methodes waarmee dat zou mogen. Nu is doden voorbehouden aan dierenartsen en andere opgeleiden. Want het moet met minimale stress, pijnloos en snel. Het gekke is overigens dat het doden van gezelschapsdieren niet verboden is. Iedere eigenaar mag zijn eigen konijn of kat doodmaken. Stassen: ”Dat is waarschijnlijk een overblijfsel uit de tijd dat mensen zelf een konijn of kip uit de tuin gingen slachten. En het is niet controleerbaar.”

Een handleiding of toetsingskader voor de veehouderij is er intussen nog steeds niet. Maar die is wel nodig, aldus Stassen. Zij is zelf overigens mordicus tegen het doodspuiten van dieren door niet-dierenartsen. ”Dat is te gevaarlijk voor mensen. Het is gevaarlijk spul en doodspuiten is een ingewikkelde handeling. Een kapje op de neus met CO2 is veel beter te doen.”

Maar naast de vraag hoe dieren te doden, is de vraag wánneer het mag belangrijk, aldus de hoogleraar. En juist die vraag dreigt onder te sneeuwen, omdat het nu eenmaal makkelijker praten is over techniek dan over ethiek. Daar ligt de bron van de onvrede tussen veehouders en publiek, aldus Stassen. ”Uit ons onderzoek blijkt dat er draagvlak is voor de vier redenen om dieren te doden, die de wet acceptabel noemt. Maar er is niet veel draagvlak voor bedrijfseconomische argumenten. Die ziet men als bedrijfsrisico.”

Ze geeft een voorbeeld. Mensen vinden het niet acceptabel om een manegepaard dat tijdelijk kreupel is in te laten slapen. Ze snappen wel dat het duur is om dat dier aan te houden, maar zeggen: dat hoort erbij. Maar de zieke melkkoe die na behandeling onvoldoende produceert en dan wordt afgevoerd en geslacht kan wél, in de ogen van de burgerij. Stassen: ”Mensen zijn dus niet alleen emotioneel. Productiedoeleinden worden geaccepteerd wanneer de veehouder zorg biedt.”
Maar waarom is er dan altijd zo’n gedoe? Waar ligt het probleem? Stassen: ”Alle Nederlanders hebben een gedeeld moreel basisprincipe ten aanzien van mens en dier. Praktisch alle Nederlanders, burgers én boeren, vinden dat dieren waarde hebben, en recht op leven, en een goede verzorging. Wie daar tegenin gaat, moet dus heel goede redenen hebben.” Daar komt dus de discussie van.

Volgens Stassen vindt nog steeds tweederde van de bevolking dat mensen boven de dieren staan, om verschillende redenen. Ruim een kwart vindt mensen en dieren gelijkwaardig. De laatste groep, waar vrouwen in de meerderheid zijn, groeit overigens wel. ”Die vinden mens en dier gelijkwaardig vanwege de gemeenschappelijke kenmerken die ze hebben. Zoals het vermogen om te lijden.” Slechts een heel kleine groep van minder dan 5 procent stelt het dier boven de mens.

Stassen: ”Dat recht op leven is dus een heel belangrijk basisprincipe. De uitdaging voor de veehouderij ligt erin duidelijker te krijgen in welke gevallen je afwijkt van dat principe.” Daarbij blijkt uit onderzoek dat mensen volgens haar wel begrip voor personen hebben, voor de dilemma’s van een veehouder bijvoorbeeld, maar niet voor een hele sector.”

De hoogleraar waarschuwt voor een te technische discussie, waarbij oplossingen alleen gericht zijn op kengetallen, zoals een lagere biggensterfte. ”Stel je verbetert de kraamhokken in technisch opzicht waardoor de sterfte van 13 naar 12 procent gaat. Mooi resultaat, maar denk je dat het publiek dan overtuigd is?” Ze verwijst naar het feit dat in de biologische varkenshouderij de biggensterfte hoger is, en dat daar geen discussie over is. ”Je moet ook naar andere factoren kijken, aansluiten met management, huisvesting en verzorging bij de aard van het dier, zoeken naar invulling van het recht op dierwaardig leven. Anders werk je dat industriële beeld in de hand, en dat vermindert de acceptatie.”

Foto

Of registreer je om te kunnen reageren.