Home

Achtergrond 607 x bekeken

Landbouw wint bij schoon milieu

De landbouw is afhankelijk van een schoon milieu. Gezonde productie is onmogelijk in een vervuilde omgeving. Hoewel landbouw en milieu gezamenlijke belangen hebben, komt samenwerking tussen beide partijen maar niet van de grond. Belangengroeperingen voor milieu en de landbouwlobby schuren al jaren ongemakkelijk langs elkaar.

Twee momenten in de jaren tachtig hebben een belangrijke rol gespeeld bij de ontwikkeling van het idee dat de landbouw groot belang heeft bij een schoon milieu. Het eerste moment is 26 april 1986: de ontploffing van de kerncentrale in Tsjernobyl. Het duurde een paar dagen voordat de effecten duidelijk werden. Maar toen werd ook voor de Nederlandse boeren heel tastbaar hoe afhankelijk zij zijn van hun omgeving. Koeien moesten binnen blijven en mochten geen vers gras meer eten, de spinazieoogst werd doorgedraaid omdat er risico’s waren voor de consument.

De effecten in Nederland stelden relatief weinig voor. Na korte tijd was de situatie al weer normaal. Heel anders dan in de Oekraïne, waar de bevolking in de omgeving van Tsjernobyl nog steeds wordt geconfronteerd met de gevolgen van de kernramp. Een groot gebied rond de centrale is voor lange tijd taboe. De aanwezige radioactiviteit is nog steeds te hoog om er gezond te kunnen leven, werken en produceren.

Bij Wouter van der Weijden van de Stichting Centrum voor Landbouw en Milieu (CLM) staat de datum van het ongeval in Tsjernobyl in zijn geheugen gegrift. Net als die andere datum: 14 juli 1989, toen het Agrarisch Dagblad met een opzienbarende primeur kwam: melk uit het Lickebaertgebied, onder de rook van de vuilverbranding AVR, bevatte te hoge dioxinegehalten. Het was de boer Siem van der Kooij die aan de bel trok, omdat hij de melk van zijn eigen koeien niet meer vertrouwde.

De dioxinevervuiling noopte toenmalig landbouwminister Gerrit Braks tot rigoureuze maatregelen: de melk en het vee van de melkveehouders werden uit de handel gehouden. Braks moest nog een fikse discussie aangaan met zijn milieucollega Ed Nijpels, die meende dat vermengen van vervuilde melk met schone melk ook een oplossing kon zijn.

Het Centrum voor Landbouw en Milieu was destijds initiatiefnemer bij de signalering en oplossing van het dioxineprobleem. Wouter van der Weijden zegt nu dat de dioxinevervuiling pijnlijk duidelijk maakte hoe kwetsbaar de Nederlandse melkveehouderij was voor vervuiling van buitenaf. ”Deze affaire raakte de Nederlandse landbouw in het hart: namelijk bij de zuivel.”

Hij constateert met instemming dat destijds niet gekozen is voor het mengen van vervuilde melk met schone melk. Het probleem werd snel geïsoleerd, waardoor het risico voor de afzet meteen werd weggenomen. ”Verdunnen van de melk zou het vertrouwen in de zuivel hebben geschaad. Het dioxineprobleem maakte heel duidelijk hoe belangrijk een schoon milieu is, ook op de markt. Stel je voor: één kernramp in onze regio en het is gedaan met het succesverhaal van de Nederlandse landbouwexport. Kijk maar wat er nu rond Fukushima gebeurt.”

Ook andere vuilverbranders in Nederland bleken de kankerverwekkende stof uit te stoten. De Lickebaertaffaire leidde ertoe dat vuilverbranders voor honderden miljoenen euro’s extra filters installeerden om de giftige stoffen uit de uitlaatgassen te halen. Na enkele jaren had Nederland de schoonste vuilverbranding van Europa.

Dioxine en radioactiviteit zijn twee voorbeelden waarbij de land- en tuinbouw schade ondervonden van milieuvervuiling waaraan ze part noch deel hadden.
Dat is ook wel anders geweest. CDA-minister Gerrit Braks hoorde in 1977 bij zijn broer Jan dat varkensmest zoveel koper bevatte dat je er geen schapenland mee moest bemesten. De schapen gingen er aan dood. Aan het varkensvoer werd zoveel koper toegevoegd dat de mest groen kleurde. ”De schapen gaan er van dood, maar de verkens groeien er goed van”, zei een mengvoerfabrikant tegen Braks. Het was voor Braks de eyeopener die het mestprobleem zichtbaar maakte, vertelde de minister in 1995.

Zo voortvarend als de landbouw ten strijde trok tegen de dioxinevervuiling in 1989, zo gesloten was de sector bij de eerste signalen van overbemesting via kunstmest en dierlijke mest. Toen het Centraal Bureau voor de Statistiek begin jaren zeventig per gemeente in beeld kon brengen hoe groot de fosfaatoverschotten waren, hield het landbouwministerie publicatie daarvan tegen. Fosfaat was vooral een probleem van de wasmiddelfabrikanten. Pas nadat de Stichting Natuur en Milieu in 1972 met hulp van een klokkenluider van het CBS de werkelijke mestcijfers publiceerde, gingen de alarmbellen rinkelen.

Vervuiling als gevolg van nieuwe landbouwtechnieken is pas echt begonnen na de Tweede Wereldoorlog. In 1913 kwam stikstofkunstmest op de markt en in de jaren veertig begon de ontwikkeling van synthetische bestrijdingsmiddelen. Geleidelijk aan vond steeds meer overdosering plaats. Het CLM heeft een belangrijke rol gespeeld bij de ontmaskering van de mythe van het efficiënt stikstofgebruik in de melkveehouderij.

Landbouwkundigen gingen ervan uit dat een kunstmestgift van 400 kilo stikstof per hectare grasland per jaar heel efficiënt was. Op basis van gegevens van de modelbedrijven van de kunstmestindustrie toonde toenmalig CLM-medewerker Edo Biewinga in 1987 aan dat 85 tot 90 procent van de stikstofgift niet in het product terechtkwam, maar in het milieu. Die cijfers waren zo onthullend, dat de kunstmestindustrie het CLM verbood ze te publiceren. ”Ze schrokken zich dood”, zegt Van der Weijden. ”Die 400 kilo per hectare per jaar was grotendeels verspilling en vervuiling.”

Hoewel de landbouw een groot belang heeft bij een schoon milieu, schuren belangengroeperingen voor milieu en de landbouwlobby lange tijd ongemakkelijk langs elkaar. Ook op punten waar gemeenschappelijke belangen overduidelijk zijn, komt samenwerking zelden van de grond. Van der Weijden zegt dat de tuinbouw bijvoorbeeld flinke gewasschade heeft ondervonden van te hoge ozongehalten in het milieu tijdens zomersmog. Maar het is nooit tot een gezamenlijke actie gekomen om daar wat aan te doen.

Inmiddels schrijdt de techniek op alle fronten voort. Van der Weijden schetst dat de twintigste eeuw de geschiedenis ingaat als de eeuw van intensivering, maar ook verspilling en vervuiling. Deze eeuw daarentegen zal de eeuw worden van het efficiënt grondstoffengebruik en vermindering van verliezen. ”De Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie roept nu dat ze over een paar jaar zonder kunstmest kan. Dat hangt natuurlijk samen met het mestoverschot, maar is toch een verfrissend signaal, vergeleken met wat we in de vorige eeuw hoorden.”

Foto

Of registreer je om te kunnen reageren.