Home

Achtergrond 258 x bekeken

Spannende zomer voor de productschappen

De productschappen zijn bezig met iets wat ze nog nooit hebben gedaan, ze peilen hun achterban over hun bestaansrecht. Na de zomer valt de beslissing over hun voortbestaan. Maar is er wel een alternatief?

Een draagvlakpeiling zoals de wet die eigenlijk voorschrijft, daar durft niet elk schap zich aan te wagen. Wel zijn enkele bezig actief te onderzoeken hoe de ondernemers voor wie ze bedoeld zijn, tegen hen aankijken. Deze maand worden daarvan resultaten verwacht. Na de zomer geeft een speciale commissie van wijzen advies geven aan de minister over het voortbestaan van deze productschappen. Dit gebeurt tegen de achtergrond van een aangenomen Kamermotie.

Bronnen van onvrede zijn er legio. Gedoe over vergoedingen voor bestuurders sloegen een deuk in het imago. ’Exorbitante reserves’, opgebouwd met geld dat afkomstig is van verplichte heffingen, zijn ook een steen des aanstoots. De term is van de NVAF, de vrije boerenfederatie, die haar bestaan eigenlijk dankt aan de onvrede onder tuinders over het Productschap Tuinbouw. Dat schap heeft inderdaad een fors eigen vermogen opgebouwd (nu 80 miljoen euro). Nog net onder de toegestane norm die het rijk stelt.

Het is de tuinbouwsector waar de onvrede over het schap dan ook het grootst lijkt, al zijn ook varkenshouders zeer kritisch. En elke gebeurtenis lijkt de overtuiging te sterken. NVAF-voorzitter Jos de Boer ziet zelfs in de komkommercrisis – ontstaan door de Ehec-bacterie-uitbraak in Duitsland – een bewijs dat het tuinbouwschap niet functioneert. ”Dit bewijst weer dat ze er niks van kunnen. Het is faliekant fout gegaan. Ze schuiven nu 10 miljoen van die productschappen naar de tuinders, maar het had helemaal nooit voor mogen komen.”

In de filosofie van de NVAF moeten ondernemers hun eigen broek ophouden. ”Wat er dan overblijft aan taken, dat kleine beetje, dat mag dan van mij wel naar het ministerie.”

Dat is in grote lijn ook de mening van Charlie Aptroot, Kamerlid voor de VVD, en indiener van de afschaf-motie. Geruchten dat hij wegens coalitieloyaliteit met productschapspartij CDA zijn standpunt zou verzachten, verwijst hij naar de prullenmand. Aptroot blijft onverkort bij zijn standpunt dat de schappen opgeheven kunnen worden. ”Dat staat in de motie die is aangenomen, en is niet veranderd.” Voor de VVD-kiezers is het een belangrijk item, aldus Aptroot. De wettelijke taken kunnen wat hem betreft naar een ministerie, eventueel aangevuld met echt zinvolle zaken als een diergezondheidsfonds.

Het grote agro-bedrijfsleven, zoals Vion en FrieslandCampina, pleitvoor behoud van de schappen. Spannende vraag is nu wat de primaire ondernemers, de boeren en tuinders, vinden. Niet dat hun stem in een keer doorslaggevend is. De wet eist weliswaar een ’ruim draagvlak’, maar biedt de schappen bij een negatieve uitleg de kans om hun leven te beteren.

De schappen zetten tegelijk met hun draagvlakonderzoek in op vergroting van hun bekendheid bij de basis. Dat is nodig ook. Onderzoek wijst uit dat boeren en tuinders wel weten van de heffingen, maar vaak niet van wat daarvoor gebeurt. Dat is best veel, alleen erg democratisch is het niet. Er zijn geen verkiezingen, geen leden, achterbannen hebben geen directe inspraak.

Toch zijn er redenen om te denken dat de politiek uiteindelijk niet zal besluiten tot totale afschaffing. Een deel van de taken blijft hoe dan ook nodig. Waarom niet een kleinere, gebundelde organisatie in leven houden? Dat een doorgewinterde carrièrevrouw als Renée Bergkamp zich opwerpt als nieuwe voorzitter van het Productschap Akkerbouw geeft voorstanders van de schappen ook hoop.

Universiteit Leiden deed onderzoek naar de alternatieven voor de product- en bedrijfsschappen (pbo’s). Uitkomst is dat die er wel zijn, maar ook belangrijke nadelen hebben. Waar private brancheorganisaties goed scoren op het punt draagvlak, efficiency en acceptatie binnen een sector, scoren pbo’s goed als het gaat om zorg voor kwaliteitsgaranties, voedselveiligheid, gezondheid en arbeidsomstandigheden. Juist daarin hebben agrarische productschappen belangrijke taken. Ook op ’duurzaamheid’ scoren pbo’s hoog.

Het rapport toont ook hoe belangrijk de pbo’s nog zijn in de Nederlandse economie. Een kwart van de beroepsbevolking werkt in sectoren met pbo’s. Het beeld dat het stelsel van de pbo’s sterk in afbouw is, is onjuist, aldus de onderzoekers.

Elf productschappen
Er zijn in totaal elf productschappen. Naast die voor akkerbouw, tuinbouw, vlees, eieren en zuivel zijn dat het PD (diervoeders), MVO (margarine, vetten en oliën), Vis, Wijn en Dranken.
Een aantal hiervan werkt nauw samen. Zo opereren de schappen voor akkerbouw, diervoeder en wijn samen onder de paraplu van het Hoofdproductschap Akkerbouw (het HPA, het elfde schap). Onder het HPA vallen ook de activiteiten van het voormalige Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten. Er zit wel veel verschil in omvang en aandachtsgebied. Met het PA hebben 25.000 bedrijven van doen, met het PD 500 ondernemers in de voederbranche. Het PW is er onder meer voor de 170 professionele druiventelers in Nederland. Er zijn daarnaast 565 wijn importeurs. De eigen vermogens verschillen ook erg. Productschap MVO heeft 1 miljoen euro, het PA 16 miljoeun euro op een heffingstotaal van 10 miljoen. Bij het PT gaat het om 80 miljoen.
Naast de productschappen zijn er nog zes bedrijfschappen. Deze zijn niet verticaal georganiseerd rondom een productketen, maar verenigen gelijksoortige bedrijven in een branche. Een voorbeeld is het Hoofdbedrijfschap Agrarische Groothandel.
Alle schappen samen zetten jaarlijks zo’n 270 miljoen om, waarvan 180 miljoen aan heffingen. Twaalf procent van de uitgaven is voor zogeheten medebewindstaken, die de schappen in opdracht van de rijksoverheid uitvoeren, aldus de SER. De SER fungeert als toezichtsorgaan voor de schappen. De schappen werden in de jaren 50 opgericht. Na enkele jaren waren er al vijftig, waarna het aantal afnam.

Productschap Tuinbouw
Het Productschap Tuinbouw (PT) bewijst met de crisisaanpak rond de Ehec-bacterie dat het bestaansrecht heeft. Dat is de stelling van Fred van Heijningen, directeur van Rabobank Westland. Hij laat zich daarover uit op het internetplatform van het Productschap Tuinbouw. Daar moeten voor- en tegenstanders discussiëren over voortbestaan van het schap, maar de discussie is de laatste weken wat doodgebloed.

Het PT doet momenteel een ondernemingspeiling om het draagvlak te peilen bij tuinbouwondernemingen en handel, maar de aandacht lijkt volledig te zijn ingenomen door de Ehec-crisis. Het is niet duidelijk wat de affaire doet met de peiling. Telers hebben wel andere dingen aan het hoofd, maar zullen nu duidelijk zien wat het PT allemaal kan betekenen voor de teelt.
Zo komt de uitvoering van het noodfonds voor rekening van het schap, maar ook vormde het schap het secretariaat voor de crisisbeheersing en deed het de woordvoering. Handel en teelt spreken sindsdien via het PT met één mond.

Het Productschap Tuinbouw is een zeer gedifferentieerd schap voor alle tuinbouwsectoren voor groente en fruit, de bloemkwekerij, boomkwekerij, bollen en hoveniers. In totaal kunnen ruim 31.000 heffingbetalers hun mening geven over dat schap. Ze krijgen in een internet-enquête zes PT-taken voorgelegd: arbeidsmarktcampagne, plantgezondheid, promotie, energie, water en marktonderzoek. Telers kunnen per activiteit het belang aangeven, maar ook of ze verplicht willen blijven betalen voor deze activiteiten.

Het PT is het enige schap dat aan alle heffingsbetalende ondernemers een peiling voorlegt. Daarmee stelt het schap zich kwetsbaar op, omdat nergens de tegenstand tegen een schap zo groot is als in de tuinbouw. De Nederlandse Vrije Agrarische Federatie (NVAF) wil het schap zo snel mogelijk laten ontbinden. Haar bezwaar is de verplichting van de heffingbetaling. De NVAF denkt dat andere, vrijwillige constructies mogelijk zijn om te blijven investeren in voor de tuinbouw belangrijke zaken. Dat is juist waarin Van Heijningen van mening verschilt. ”De tuinbouw wordt nu genoemd in één adem met Schiphol en het havenbedrijf in Rotterdam. Om die ambitie waar te maken is geld nodig, geld waar in onze sector vele schouders voor nodig zijn.”

Productschap Akkerbouw
Het Productschap Akkerbouw (PA) had vorig jaar 12,11 miljoen euro aan inkomsten, waarvan 10,4 miljoen uit heffingen. De rest van de inkomsten bestaat voornamelijk uit diensten aan derden en rente. Het productschap gaf 12,08 miljoen euro uit. Daarvan is iets meer dan 2 miljoen euro besteed aan huisvesting, salarissen, vergaderingen en kantoorbenodigdheden.

Er is bijna 8 miljoen euro uitgegeven aan onderzoek naar allerlei akkerbouwgewassen en afzetbevordering van pootaardappelen, vlas en brood. Ook draaien onder toezicht van het productschap projecten voor aardappelmoeheid, phytophthora, knolcyperus, wratziekte, mineralenmanagement en precisielandbouw.

Er restte vorig jaar een positief saldo van 20.400 euro. Het PA heeft een financiële reserve van 16,1 miljoen euro. Dat is meer dan de Sociaal-Economische Raad (SER), de toezichthouder op de productschappen, wenselijk vindt. Als norm hanteert de SER een maximale reserve van één keer de jaaruitgaven.

Het productschap heeft als belangrijkste taak om de bedrijfsuitoefening door de ondernemingen te bevorderen, voor zover dat het algemeen belang dient. Het PA heeft 56 verordeningen en 15 besluiten opgesteld om één en ander te regelen voor de diverse akkerbouwsectoren. Dat betreft niet alleen de primaire akkerbouw, maar ook veredelingsbedrijven, bakkerijen en graanverwerkers.

Het productschap heeft begin dit jaar een proefonderzoek gedaan naar het draagvlak onder de heffingbetalers. De pilot was bedoeld om te testen hoe het echte draagvlakonderzoek uitgevoerd zou moeten worden, dat verplicht zou worden gesteld door de overheid. Het proefonderzoek moest uitwijzen of de vragen in het echte draagvlakonderzoek begrijpelijk zijn en of de toelichting bij het onderzoek duidelijk is.

Door de politieke ontwikkelingen is het draagvlakonderzoek uitgesteld. Een commissie van wijze mensen gaat minister Henk Kamp van Sociale Zaken in september
adviseren over de toekomst van de schappen.
Uit het proefonderzoek is gebleken dat eenderde van de heffingbetalers niet precies weet wat het Productschap Akkerbouw doet. Van de 66 procent die dat wel weet, vindt 84 procent dat het productschap goed werk doet.

Productschap Zuivel
Het Productschap Zuivel (PZ) is qua profiel, taken en geldstroom een van de kleinere productschappen. Tegelijkertijd is het het publiekrechtelijke uitvoeringsorgaan voor een van de belangrijkste agrarische bedrijfstakken.

Het PZ timmert vanoudsher zelf weinig aan de weg. Het is een kalm, bedaard productschap dat in stilte zijn werk doet. Gedoe om het productschap of interne ruzies zijn er niet, of komen niet naar buiten. Veel aanleiding voor tumult is er ook niet, want in wezen heeft het PZ maar met twee grote partijen te maken. Zo spreken de industrie (verenigd in de Nederlandse Zuivel Organisatie (NZO) en de LTO-vakgroep Melkveehouderij samen af wat er moet gebeuren in de zuivelsector en het PZ voert dat keurig uit.

Dat loopt zo gesmeerd dat melkveehouders soms nauwelijks merken dat er een PZ is, ware het niet dat ze daar af en toe aan worden herinnerd door bijvoorbeeld mededelingen over de superheffing en een kleine kostenpost op hun melkgeldafrekening. Er is nauwelijks een melkveehouder te vinden die zich daarover opwindt.

Bij het PZ werkten vorig jaar 76 voltijds arbeidskrachten, het had een geldomzet van ongeveer 20 miljoen euro en inde voor ruim 13 miljoen euro aan heffingen bij veehouders en industrie. Daarvan financierde het een aantal taken op gebied van diergezondheid en (melk)kwaliteit en steunde het onderzoeksprojecten ten behoeve van de zuivelketen. Ook verrichtte het een aantal taken in opdracht van de Europese Unie, zoals het toezicht op de naleving van de melkquotering en de afhandeling im- en exportregelingen voor de zuivelsector.

Een aantal taken voor de melkveehouderij wordt gedeeld met en soms ook grotendeels overgelaten aan het Productschap voor Vee en Vlees (PVV). Dat betreft taken op het gebied van diergezondheid en fokkerij.

In tegenstelling tot veel andere schappen heeft het PZ besloten om dit jaar geen draagvlakonderzoek te doen. Minister Kamp vond het zelf niet nodig en het PZ-achtte een ’populariteitspeiling’ op eigen initiatief overbodig. Het schap weet zich voluit gesteund door de NZO, die inwonend is, door FrieslandCampina en door LTO Melkveehouderij en dat is genoeg, oordeelt de organisatie. NZO en LTO hechten aan het behoud van het PZ omdat ze via deze organisatie snel en effectief diverse zaken kunnen regelen voor de hele zuivelketen, desnoods via maatregelen met de kracht van wet, maar zonder aangewezen te zijn op de overheid zelf. Ook bijzonder gewaardeerd is dat het PZ het bedrijfsleven toegang biedt tot de Europese Commissie en haar organen.

Productschappen voor vlees, pluimvee en eieren
Het Productschap voor Vee en Vlees (PVV) en die voor Pluimvee en Eieren (PPE) werken al jaren samen in een gemeenschappelijk secretariaat: de PVE, wat staat voor Productschappen Vee, Vlees en Eieren. Het PVV is de kolomorganisatie voor de roodvlees-sectoren. Het gaat dan om rundvlees, kalfsvlees, varkensvlees, schapenvlees en geitenvlees. Ook de paardenhouderij valt onder de bevoegdheden van dit schap. Het PPE is de kolomorganisatie voor de pluimveesector. Daarbij gaat het om de leg- en de pluimveevleessector en de eenden- en de nertsenhouderij.

Jarenlang hebben PVV en PPE ook gewerkt met een gemeenschappelijke voorzitter. Onder invloed van strubbelingen in het PVV-bestuur over de ontslagvergoeding van hun voorzitter Jos Ramekers, besloot het PPE-bestuur drie jaar geleden om weer een eigen parttime voorzitter te benoemen. Sinds twee jaar is Steven Lak voorzitter van het PVV (32 uur per week). Bart Jan Krouwel is sinds vorig jaar de voorzitter van het PPE (12 uur per week).

De productschappen krijgen een vergoeding van de overheid voor de medebewindstaken. Voor het autonome beleid leggen de productschappen heffingen op aan de bedrijven in de kolom. De besturen van de beide productschappen bepalen de begroting en dus ook de hoogte van de heffingen. De heffingen worden onder meer opgelegd per geslacht, of geëxporteerd dier of per aantal broedeieren of vleeskuikens. De primaire bedrijven merken niet zo veel van de heffingen, omdat die via de handel worden geïnd.

Beide productschappen waren dit voorjaar bezig met de voorbereiding van het verplichte draagvlakonderzoek. Hiervoor was bureau Bartels ingehuurd. Na de ontwikkelingen in de Tweede Kamer van dit voorjaar besloten beide productschappen het onderzoek onder de naam ondernemerspeiling op eigen gelegenheid uit te voeren. Het onderzoek van bureau Bartels is zo goed als afgerond.

De resultaten worden op 9 juni in het bestuur van het PPE en op 15 juni in het PVV gepresenteerd.

Over 2010 bedroeg de totale heffingsopbrengst 11,8 miljoen euro. Onder de streep hield het PPE een bedrag over van 1,2 miljoen euro. Bij de beide schappen werken in totaal 123 fte’s (31 december 2010).

Foto

agd.media

Of registreer je om te kunnen reageren.