Home

Achtergrond 1143 x bekeken 1 reactie

OVO-drieluik hét succesnummer van de land- en tuinbouw

Nederland kan bogen op een internationaal gewaardeerde positie op het gebied van landbouwkennis, met de universiteit van Wageningen als bekendste uithangbord. De aanzet voor het drieluik van landbouwkundig onderzoek, voorlichting en onderwijs werd ruim 125 jaar geleden gegeven. Onderzoeksinstituten genereren vandaag de dag nog steeds kennis die toepasbaar is in de dagelijkse praktijk van boeren en tuinders.

Het onvolprezen OVO-drieluik (onderzoek, voorlichting en onderwijs) mag zijn opgeheven, de weerklank van het succesnummer van de Nederlandse land- en tuinbouw galmt tot op de dag van vandaag na. Nederland gaat prat op een internationaal gewaardeerde positie op het gebied van landbouwkennis.

Iedere landbouwbewindsman keert na zijn of haar eerste verre buitenlandse trip terug met de opmerking dat ’Wageningen’ tot in de diepste nerven van de landbouw wereldwijd is doorgedrongen. De voormalige landbouwhogeschool, die zich tegenwoordig de internationale allure aanmeet door zich zelfs in Nederland te tooien met een Engelstalige naam, speelt nog steeds een niet te onderschatten rol bij de ontwikkelingen in de Nederlandse landbouw. Al zijn het vooral de aanpalende onderzoeksinstituten die kennis aanleveren die in de dagelijkse praktijk van boeren en tuinders zijn toepassing vindt.

De onderzoeksinstituten stammen af van de voormalige Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO) van het landbouwministerie, zoals er ook een Dienst Landbouwvoorlichting (DLV) was en natuurlijk een directie landbouwonderwijs. Het OVO-drieluik zat ingebakken in het departement.

De kiem voor het OVO-drieluik werd gelegd in de staatscommissie voor de landbouw van 1886. De commissie onder leiding van het liberale Tweede Kamerlid Cornelis Jacob Sickesz constateerde dat de Nederlandse landbouw ten opzichte van het omringende buitenland achterlijk genoemd mocht worden. De commissie rapporteerde uiteindelijk in 1890, maar in twee tussenrapporten in 1887 adviseerde de commissie aan de minister van Binnenlandse Zaken dat het goed zou zijn meer aandacht te schenken aan het landbouwvakonderwijs en de inrichting van proefstations, waar experimenten op het gebied van de land- en tuinbouw konden worden uitgevoerd.

De adviezen van Sickesz (die behalve kamerlid ook voorzitter was van de Geldersch-Overijselsche Maatschappij van Landbouw) leidden er toe dat de regering geld uittrok voor de aanstelling van een landbouwleraar in Gelderland en Overijssel, terwijl in Groningen, Hoorn en Breda landbouwproefstations werden ingericht.

Het was niet voor het eerst dat er aandacht was voor de kennisontwikkeling in de landbouw, maar achteraf worden de adviezen van de staatscommissie van 1886 wel gezien als de aanzet voor de inrichting van het roemruchte OVO-drieluik.

In 1886 had het merendeel van de boeren zijn kennis vergaard van de voorgaande generatie. Nieuwe ontwikkelingen drongen door via herenboeren, die kapitaalkrachtig genoeg waren om te experimenteren en te investeren. In de twintigste eeuw – en vooral na de Tweede Wereldoorlog – maakte de Nederlandse land- en tuinbouw een stormachtige ontwikkeling door waarbij de sector veranderde van een op de Nederlandse markt georiënteerde producent tot een belangrijke exporteur met een grote bijdrage aan het bruto nationaal product.

De verspreiding van de kennis verliep veelal via voorlichters, rijksambtenaren die van boer naar boer en van vergadering naar vergadering liepen om de primaire producenten te informeren over de laatste ontwikkelingen. Was het aanvankelijk nog zo dat de voorlichters vooral reageerden op de vraag van boeren, vooral na de oorlog gingen ze ook actief en ongevraagd de boer op om de producenten van staatswege te informeren over nieuwe landbouwmethoden.

In de loop van de jaren werden moderne communicatiemiddelen ingezet om boeren en tuinders bij te praten. In 1963 bleek uit een Wagenings onderzoek dat landbouwbladen de belangrijkste informatiebronnen waren, ”al hechten vooral de behoudende boeren ook veel waarde aan de landbouwpraatjes voor de radio als bron van inlichtingen over nieuwe methoden”, schreef A.W. van den Ban in zijn onderzoek naar de communicatie van nieuwe landbouwmethoden. Waarom de radio voor sommigen aantrekkelijker was dan de landbouwbladen? ”Van de landbouwbladen kregen we de indruk, dat ze voor vrij veel boeren te ingewikkeld geschreven zijn, doordat veel auteurs zich er niet voldoende op instellen, dat de meeste lezers minder goed ontwikkeld zijn dan zijzelf.”

De Wageningse hoogleraar sociologie Willem Hofstee schreef in de jaren zestig dat de voorlichters zich na de oorlog steeds meer bewust werden, ”dat platteland en landbouw in een snelle evolutie zijn geraakt en dat het onder deze omstandigheden mede tot de taak van voorlichting moest worden gerekend deze evolutie in bepaalde opzichten te bevorderen en haar in goede banen te leiden. Men weet, dat het er niet meer alleen om gaat om de afzonderlijke boer, die zijn bedrijf wil verbeteren, van dienst te zijn, maar dat thans de gehele bedrijfstak en de daarmee verbonden samenleving in het geding zijn.”

Wie het negatief uitlegt, zou bijna geloven dat de land- en tuinbouw gedoemd zijn te verdwijnen, als er geen landbouwvoorlichting was. Het duurde echter nog geen halve eeuw voordat de landbouwvoorlichting oude stijl was opgedoekt. De idee dat de overheid een sturende rol moet hebben bij de landbouwontwikkeling, is verlaten. De Dienst Landbouwkundig Onderzoek is voorzichtig van het ministerie losgeweekt en overgeheveld naar Wageningen, waar het tegen de universiteit is aangeplakt. DLV is verzelfstandigd en moet nu zelf zijn broek ophouden. Wie voorlichting wil hebben, moet daarvoor betalen.

In het onderwijs is de situatie anders. De jongste gegevens over het opleidingsniveau van de Nederlandse boeren en tuinders laten zien dat steeds meer ondernemers een hogere of academische agrarische opleiding hebben. Waar in de 19e eeuw de boer zijn kennis vooral haalde van de voorgaande generatie en van de collega’s, wordt de basis nu gelegd op de middelbare of hogere landbouwschool. Lagere landbouwscholen die in de jaren zestig in elk zichzelf respecterend plattelandsdorp verschenen, zijn inmiddels allang weer opgegaan in grotere verbanden van het lager beroepsonderwijs en hebben hun landbouwidentiteit praktisch verloren.

Van de huidige boeren en tuinders heeft ongeveer tweederde in elk geval de middelbare landbouwschool doorlopen. Een steeds kleiner deel heeft alleen maar lagere landbouwschool gehad, terwijl steeds meer boeren en tuinders een hogere landbouwopleiding of de universiteit hebben afgerond. Het percentage hoog opgeleide boeren en tuinders is in de loop van de jaren naar boven de 20 procent gekropen. Nu zal een socioloog in Wageningen niet meer schrijven dat het niveau van boeren en tuinders te laag is om artikelen in de landbouwbladen te begrijpen.


Herman Christiaan van Hall

Herman Christiaan van Hall (1801-1874) heeft zich in Groningen bijna een halve eeuw ingezet voor het landbouwonderwijs. De in Amsterdam geboren Van Hall werd in 1825 in Grongingen aan de universiteit benoemd als hoogleraar.
Van Hall was een van de hoogleraren die zich in de eerste helft van de negentiende eeuw tot koning Willem I richtte met het doel om landbouwhuishoudkunde te kunnen doceren. Na lang aandringen kwam er in 1840 een koninklijk besluit, waarin de vorst toestond dat in Leiden, Utrecht en Groningen onderwijs in de landbouwhuishoudkunde mocht worden gegeven.
Van Hall begon daarmee op 2 november 1840. Hij zei in zijn eerste les dat het van belang was dat toekomstige boeren niet allen de praktische werkzaamheden op het boerenbedrijf moesten kennen, maar ook inzicht moesten hebben in de natuurkunde, scheikunde en de natuurlijke historie.
De inspanningen van Van Hall leidden tot een bloeiende landbouwondewijsinrichting, die los stond van de universiteit. Het idee bestond om de landbouwopleiding een academische status te geven, maar dat kreeg van Hall niet voor elkaar, tot zijn grote ergernis. Minister Thorbecke stak daar een stokje voor.


Kenniskasteel Forum

Het gebouw is amper vier jaar in gebruik en is inmiddels hét beeldmerk van Wageningen Universiteit: het Forumgebouw.
Het werd op 4 september 2007 officieel geopend door koningin Beatrix. Forum maakt deel uit van het nieuwe universiteitscomplex in Wageningen, waar de bouwactiviteiten nog steeds niet beëindigd zijn.
Het universiteitsgebouw kent een vloeroppervlak van twee hectare en is het dagelijkse ontmoetingscentrum van duizenden studenten van de universiteit en van de hogeschool Van Hall Larenstein.
Architect Quint Wintermans heeft zich bij het ontwerp laten leiden door de verhalen van Ivanhoe. Hij wilde een kasteel neerzetten, met een overdekte binnenplaats. Het vierkante gebouw maakt van buiten een kolossale indruk, maar wie binnen loopt kan op elke plek naar buiten kijken.
Imposant is de bolvormige bibliotheek, die een onuitputtelijke bron van informatie en kennis vormt. De bibliotheek biedt toegang tot recente wetenschappelijke tijdschrijften, maar herbergt ook een grote collectie uniek illustratiemateriaal. Kort geleden kwam de collectie in het nieuws van bijna 100.000 luchtfoto’s die de geallieerden tijdens de Tweede Wereldoorlog van Nederland maakten. De foto’s, opgeslagen in de Wageningse bibliotheek, zijn inmiddels via internet toegankelijk.

Foto

Eén reactie

  • no-profile-image

    "Onderzoeksinstituten genereren vandaag de dag nog steeds kennis die toepasbaar is in de dagelijkse praktijk van boeren en tuinders". Tja, de kennis is bij Wageningen zó groot dat, als de praktijk niet overeenkomt met de theorie, de praktijk fout is want de theorie klopt hoe dan ook!

Of registreer je om te kunnen reageren.