Home

Achtergrond 304 x bekeken

Paus Leo XIII als inspirator van krachtenbundeling

Honderdvijftig jaar geleden ontstonden de eerste coöperaties in de land- en tuinbouw. In de loop van de vorige eeuw ontwikkelden boeren en tuinders een goed georganiseerde belangenbehartiging. Paus Leo XIII speelde een initiërende rol. De krachtenbundeling was er aanvankelijk op gericht voor de boer en tuinder een betere positie op de markt te veroveren. Later kregen de verschillende organisaties via hun eigen zuil invloed in de politiek. Nu krijgt de markt weer prioriteit.

Een pauselijke encycliek (belangrijke pauselijke brief) uit 1891 heeft misschien wel de doorslaggevende rol gespeeld bij de emancipatie van boeren en tuinders. Paus Leo XIII bracht op 15 mei 1891 het Rerum Novarum uit, een reactie op het opkomend socialisme.

Het was de pauselijke encycliek die de Noord-Brabantse pater Godefridus van den Elsen inspireerde lokale boerenorganisaties op te richten en in het kielzog daarvan coöperatieve boerenleenbanken. Van den Elsen, wiens kloosternaam Gerlacus was, is in meer opzichten de geestelijk vader van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie (ZLTO).

De vorming van boerenorganisaties en coöperaties in de loop van de negentiende eeuw hebben boeren en tuinders geen windeieren gelegd. De primaire producent was rond 1850 overgeleverd aan de grillen van de markt en van de lokale afnemers. Met de bundeling van de krachten is de invloed van het groene front in de loop van de twintigste eeuw steeds toegenomen.

De voormannen van de belangenorganisaties bezetten tot ver in de tweede helft van de twintigste belangrijke posities in de Nederlandse politiek. Ze zaten niet alleen in de besturen van de Aartsdiocesane Boeren en Tuindersbond, de Christelijke Boeren en Tuindersbond of het Koninklijk Nederlands Landbouw Comité, maar vormden ook de landbouwspreekbuizen van de politieke partijen VVD, KVP en ARP in de Eerste en Tweede Kamer, en niet zelden vormden ze ook de besturen van de Boerenleenbank (later Rabobank) en de coöperatieve zuivelbedrijven en de voercoöperaties. De lijnen tussen de belangenorganisaties, de coöperaties, de lokale, provinciale en landelijke bestuurders waren altijd kort. En de invloed reikte tot in het landbouwministerie.

Hoe groot de invloed van de boerenbonden kon worden toonde de veel te vroeg overleden Wageningse socioloog Jaap Frouws aan in zijn proefschrift Mest en Macht in 1993. Hij stelde vast dat de Noord-Brabantse Christelijke Boerenbond (NCB) aan alle touwtjes trok bij de discussie over het mestprobleem. De provincie Noord-Brabant durfde het zich destijds niet te permitteren zaken aan de orde te stellen, waarbij grote weerstand van de NCB werd verwacht.

De NCB maakte van alle kanalen gebruik om ongewenste plannen tegen te gaan. Toen twaalf Brabantse gemeenten een verzuringsbeleid wilden invoeren dat verder ging dan de landelijke regels, stelden Landbouwschap en het ministerie van landbouw in een geheim overleg een gezamenlijke strategie vast om de gemeenten te dwarsbomen. Plaatselijke CDA-politici, die de NCB goed gezind waren, werden daarbij ingezet.

Voor buitenstaanders is de invloed van de boerenbond toen en nu een voorbeeld van veel te ver gaande macht, die moet worden ingebonden. Voor vertegenwoordigers vanuit de land- en tuinbouw is het echter het ultieme voorbeeld van een goed uitgevoerde lobby.

De belangenbehartiging begon in de negentiende eeuw vooral om de boeren en tuinders economische macht te geven. Door de handen ineen te slaan kon goedkoper worden ingekocht en gestructureerder worden afgezet. Voor de individuele boer was de markt volstrekt ondoorzichtig. Zijn prijs werd bepaald door opkopers en dorpswinkeliers, waarbij het ook niet ongebruikelijk was om zich te laten uitbetalen in natura. Zolang de boer vooral voor zichzelf zorgde was dat nog niet zo’n probleem, maar toen er sprake was van een zekere specialisatie en veredeling werd op het boerenbedrijf meer geproduceerd dan kon worden geconsumeerd.

Er was een gestructureerde afzet nodig. Lokale zuivelfabriekjes verschenen in praktisch elk dorp evenals coöperatieve aan- en verkooporganisaties. En natuurlijk was praktisch overal een lokale boerenleenbank of een Raiffeisenbank.

Het ontstaan van onderling verbonden coöperaties heeft mede bijgedragen aan de zeer ontwikkelde infrastructuur in de Nederlandse land- en tuinbouw. De distributiekanalen zijn inmiddels uitgebouwd tot ver in het buitenland.

Naarmate de invloed van de overheid op de land- en tuinbouw toenam – vooral na het ontstaan van de Europese Unie – richtten landbouworganisaties zich meer en meer op de politiek, provinciaal, landelijk en Europees.

Pas in de laatste tien jaar is daarin een ommekeer gekomen. Landbouwbestuurders verkondigen nu in koor dat boeren- en tuinders hun geld niet in Den Haag of Brussel verdienen, maar op de markt.
De krachtenbundeling zowel op het gebied van de belangenbehartiging als via de coöperaties op de markt heeft in de afgelopen decennia geleid tot grote fusies en machtsconcentraties.

In de loop der jaren zijn de landbouworganisaties van de verschillende zuilen in verschillende stappen opgegaan in een federatie van land- en tuinbouworganisaties: LTO Nederland. Belangrijke pijlers zijn de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, de Limburgse Land- en Tuinbouwbond en LTO Noord. Voorbeelden van een belangrijke concentratie op de markt zijn de vorming van (uiteindelijk) de coöperatie FrieslandCampina en vleesconcern Vion. Beide bedrijven zijn inmiddels ondernemingen van Europese allure, ook al komen ze voort uit tientallen lokale coöperaties.
De vorming van dergelijke conglomeraten brengt ook een reactie te weeg. Niet alleen in de markt, waar kleine coöperaties hun eigen niches zoeken.

Individuele boeren zien hun invloed binnen de coöperaties verwateren en richten nieuwe samenwer
kingsvormen op, bijna op dezelfde leest als honderdvijftig jaar geleden.



Een spaarpot op de schouw


Spaarzaamheid was een van de deugden die pater Gerlacus van den Elsen (initiator van de Boerenleenbank) meegaf aan de boerenbevolking. In de jaren 30 stonden spaarpotjes van de Coöperatieve Boerenleenbank in menige boerderij op de schouw. Ze bleven eigendom van de plaatselijke bank. Sparen ging met halve centen, centen en stuivers.

Na de Tweede Wereldoorlog werd het sparen sterk gestimuleerd door het rijk. De toenmalige landbouwkredietbanken deden er aan mee, vooral omdat met de spaaracties de jeugd getrokken werd. In de loop van de tijd hebben de Raiffeisenbank en de Boerenleenbank (later Rabobank) verschillende modellen van spaarpotten gebruikt.

De jeugdspaaractie kon rekenen op enthousiasme, maar leverde de bank nauwelijks geld op.



Gerlacus van den Elsen, geestelijk vader van de NCB

Toen de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond (NCB) op 17 augustus 1921 zijn 25-jarig bestaan vierde, kon geestelijk vader pater Van den Elsen (1853-1925) er niet bij zijn. Hij was ziek. Maar hij gaf de leden wel een boodschap mee. Er mocht gevierd worden, maar zonder drank. De boerin en de boerenmeiden moesten thuis blijven, vond hij.

De belangenbehartiging in de land- en tuinbouw was een mannenaangelegenheid, vond Van den Elsen, geheel in de geest van de tijd. De pater had 25 jaar dienst gedaan als geestelijk adviseur van de bond.

De in Gemert geboren geestelijke was ingetreden bij de Norbertijnen van de Abdij van Berne in Heeswijk. In 1876 werd hij priester gewijd. Via regionale dagbladen droeg hij zijn boodschap uit, waarbij hij aandrong op de oprichting van een nieuwe boerenbond. Hij deed een beroep op dekens en pastoors om mee te werken aan de oprichting van lokale boerenbonden.
Van den Elsen was niet de enige die zich destijds druk maakte om de emancipatie van de boer en tuinder, maar hij is wel de man wiens roem niet is verbleekt, ondanks wat verwrongen denkbeelden over de positie van de vrouw.

Bron: A.H. Crijns en F.W.J Kriellaars – Het gemengde landbouwbedrijf op de zandgronden in Noord-Brabant.

Foto

Of registreer je om te kunnen reageren.