Home

Achtergrond 303 x bekeken

Koe laat MKZ zien als het virus zich verspreidt

Eigenlijk wisten we het al. Maar Britse onderzoekers hebben het nu ook in een experiment vastgesteld: dieren die klinische verschijnselen van mond- en klauwzeer vertonen, zijn ook fikse uitscheiders van het virus en daardoor besmettelijk voor soortgenoten.

Mond- en klauwzeer (MKZ) kan bestreden worden door veel gerichter – en dus minder dieren – te ruimen, concluderen Britse onderzoekers van het hoog aangeschreven Institute for Animal Health in Pirbright en de universiteit van Edinburgh. Het klinkt hoopvol, maar andere MKZ-deskundigen zetten meteen kanttekeningen: wat in het laboratorium werkt, is niet altijd toepasbaar in het veld.

In het gerenommeerde wetenschappelijk tijdschrift Science publiceerden de Britse onderzoekers vorige week de resultaten van een experiment met acht besmette dieren en 28 MKZ-vrije dieren. De gezonde dieren werden een voor een, in een aaneengesloten periode van acht uur, bij een besmet dier in de stal gezet. De omstandigheden werden steeds gelijk, zoals temperatuur, luchtvochtigheid en luchtcirculatie. Acht dieren werden geïnfecteerd met het mond- en klauwzeervirus van het serotype 0. Hetzelfde virus dat in 2001 in Groot-Brittannië toesloeg.

Uit het onderzoek bleek dat dieren die geen klinische verschijnselen (blaren of koorts) vertonen, niet of nauwelijks besmettelijk zijn voor andere dieren. In de periode voorafgaand aan de klinische verschijnselen kan het virus korte tijd al wel worden aangetoond in het besmette dier. De periode waarin besmette dieren het virus uitscheiden is beperkt tot ongeveer anderhalve dag.

MKZ-expert Aldo Dekker van het Centraal Veterinair Instituut zegt dat het experiment heel mooi aantoont wat eigenlijk altijd al gedacht werd: namelijk dat de besmettelijkheid van MKZ samenvalt met de zichtbare (klinische) verschijnselen. Dekker plaatst kanttekeningen bij de gevolgtrekkingen van de onderzoekers dat de bestrijding bij een uitbraak kan worden beperkt.

De gedachte van de onderzoekers is dat MKZ te bestrijden zou zijn door bedrijven pas te ruimen als dieren klinische verschijnselen vertonen. Daarvoor zijn ze immers toch niet besmettelijk. In een laboratorium kan dat, zegt Dekker. Maar in de praktijk, waar een boer niet continu al zijn dieren ziet, is dat niet haalbaar.

Daarbij komt dat in het experiment de dieren een beperkte periode van acht uur bij elkaar waren. In de praktijk staan dieren veel langer bij elkaar, waardoor de kans op besmetting groter wordt, ook als de virusuitscheiding van het besmette dier beperkt is. En na verloop van tijd zit het virus niet alleen bij de dieren, maar ook elders in de stal. Dekker zegt dat er nog andere manieren van virusoverdracht zijn, dan van dier op dier – bijvoorbeeld door gemeenschappelijk gebruik van gereedschappen, transportmiddelen of via de mens. ”Met deze verspreiding van het virus is in het onderzoek geen rekening gehouden.”

Een andere kanttekening die Dekker maakt, is dat dit onderzoek is gedaan met één virustype bij één soort runderen. Niet elk virus gedraagt zich als het andere, en niet elk dier reageert daar hetzelfde op. Het is dus gevaarlijk aan te nemen dat de resultaten van dit onderzoek ook gelden voor andere virusziekten.

Het Britse onderzoek is uitgevoerd door een team van veterinairen die alle symptomen van mond- en klauwzeer konden herkennen. In de praktijk blijkt dat echter lastiger. Dekker herinnert zich dat hij bij een besmet dier de symptomen van MKZ herkende, terwijl een collega zei dat hij die conclusie nooit zou hebben getrokken.

Veehouder kan eigen dieren screenen

Bij een uitbraak van mond- en klauwzeer kan de screening op bedrijven in de toezichts- en beschermingsgebieden door boeren zelf gebeuren. MKZ-expert Aldo Dekker van het Centraal Veterinair Instituut heeft die suggestie gedaan als een optie voor de aanpassing van het bestrijdingsbeleid bij een uitbraak van mond- en klauwzeer.

Dekker meent dat boeren bij voorbeeld via een formulier op internet dagelijks zouden de status van hun veestapel kunnen bijhouden, als er een uitbraak is. Nu gebeurt de screening door dierenartsen. Als boeren dat zelf doen, zouden dierenartsen pas naar het bedrijf toe gaan als de boer afwijkingen constateert bij zijn vee. Dekker denkt dat zo’n systeem zou kunnen aansluiten bij al bestaande monitoringssystemen die in de melkveehouderij worden toegepast.

Foto

Of registreer je om te kunnen reageren.