Home

Achtergrond 1027 x bekeken

Kalversector floreert bij semi-monopolie

De overname van Alpuro door kalverhouderij-reus Van Drie Group heeft (nog) niet geleid tot het verdwijnen van de concurrentie in de bedrijfstak. Nummer twee in Europa, veevoerbedrijf Denkavit, is zich meer gaan roeren, kleinere concurrenten profileren zich met goedkopere voeding, en Van Drie is zwak in het snelgroeiende segment van de jonge rosékalveren. Wel heeft Van Drie een bijna-monopolie in de slachting en vleesafzet.

Nu de overname van vleeskalverintegratie Alpuro door de Van Drie Group helemaal rond is, is het niet zo dat het gedaan is met de concurrentie in de vleeskalverhouderij. Daarvoor zit er te veel dynamiek in deze kleine, maar goedlopende sector. Wel is het zo dat de Van Drie Group op een strategische plek in de keten een bijna-monopolie heeft verworven: de slacht van kalveren en de verwerking en afzet van het kalfsvlees zijn voor zo’n 85 procent in handen van de Van Drie Groep. Daar is niet zo snel iets aan te veranderen.

Een slachterij opzetten kost geld, maar daarmee is nog lang geen goede afzet gegarandeerd. Om de kalfsvleesafzet goed te laten veropen, is een goed verkoopapparaat nodig plus een uitgekiend systeem om al het vlees optimaal te verwaarden. Ook export van vleeskalveren naar slachterijen in het buitenland loont maar zelden.

Het is mede om die reden dat de LTO-vakgroep Kalverhouderij een soort ’gebruikersraad’ wil hebben bij Van Drie, om tot op zekere hoogte te kunnen meepraten over het beleid van het bedrijf. En om niet voor verrassingen komen te staan als Van Drie een koerswending overweegt. Want hoe je het ook wendt of keert, de kalverhouderij is in sterke mate afhankelijk van Van Drie. De machtspositie van de onderneming is ook een van de redenen waarom de veehandel fel tegen de overname van Alpuro was.

Voordelen

Die sterke positie van Van Drie heeft echter niet alleen maar nadelen. Door de sterke mate van integratie en de concentratie van het aanbod bij één bedrijf, was dit bedrijf ook in staat om veel te investeren in: optimalisering van de keten, een maximale verwaarding van het vlees, productveiligheid, imago en afzetmarkten. Dat heeft Van Drie geen windeieren gelegd, en de kalverhouders evenmin. Zelfs concurrenten profiteren er tot op zekere hoogte van.

Het zit zo: Van Drie heeft dan wel vrijwel alle kalverslachterijen in Nederland in bezit, maar het eigendom van de vleeskalveren, met name de blanke vleeskalveren, is voor minder dan de helft in handen van Van Drie. De blankvleeshouderij is met 1,1 tot 1,2 miljoen slachtingen of ongeveer 625.000 kalverplaatsen veruit het belangrijkste deel van de Nederlandse kalverhouderij. Het totale aantal slachtingen lag vorig jaar op 1,5 miljoen stuks.

Met Alpuro erbij heeft het bedrijf tussen de 43 en 45 procent van de contracten in handen, schatten ingewijden. Alpuro had de laatste jaren een steeds verder slinkend marktaandeel (8 tot 9 procent). De grootste winst van de verwerving van dit bedrijf zit voor Van Drie vermoedelijk in de overname van nog een slachterij en in het feit dat Alpuro een merkvleesketen heeft weten op te zetten: Peter’s Farm.

De tweede grote contractgever, Denkavit, heeft naar schatting ongeveer een kwart van de contracten. De rest van de vleeskalvercontracten is in handen van diverse kleinere partijen. Daarmee is ook een flink deel van het financiële risico in de kalverhouderij gespreid.
De kalverhouderij is een sterk cyclische sector, die bovendien ook altijd het gevaar van dierziekten in het achterhoofd moet houden. Door een deel van de contracten bij andere partijen te laten, heeft Van Drie geen volledige leveringszekerheid. Het is dus zaak om die andere partijen met goede uitbetaalprijzen aan zich te binden. Daarin zit ook een soort beloning voor de risicospreiding.
Concurrenten van Van Drie in de blankvleessector kunnen hun marge vergroten door andere soorten voer te gebruiken, zoals andere ingrediënten en/of vloeibaar voer. Dat laatste is tientallen euro’s voordeliger per afgemest kalf.

Het enige bedrijf dat naast Van Drie actief is in de blankvleeshouderij en een eigen slachterij heeft, is Vitelco, onderdeel van de Pali Groep. Het heeft de laatste jaren een vrij stabiele positie, maar lijkt zakelijk gezien zwakker te staan dan Van Drie en Denkavit.

Vitelco is de laatste jaren echter wel vrij succesvol bezig met de ontwikkeling van een nieuw segment: de jonge rosés. Het gaat net als bij de blanke vleeskalveren om dieren die voor hun achtste maand worden geslacht. Voor het afmesten van deze dieren is slechts een minimale hoeveelheid kalvermelk nodig. Dat drukt de voerkosten sterk. Anders dan de oude rosés, die tussen de 8 en 12 maanden worden geslacht, worden ze dus relatief kort gehouden. Dat drukt ook de voerkosten en maakt het bovendien mogelijk een halve ronde per jaar extra te maken. Jonge rosés zijn dus ook een soort omzetverhoger.

Het vlees van de jonge rosés is duurder dan dat van de oude rosés en goedkoper dan blank kalfsvlees. Vitelco lijkt er een aardig nieuw segment mee te hebben aangeboord, dat bovendien een deels ander koperspubliek aantrekt. Dat er vraag naar bestaat, blijkt uit de cijfers over de slachtingen. In 2009 waren de jonge rosés nog maar goed voor 55.000 van de 1,5 miljoen Nederlandse kalverslachtingen. Dat is 3,6 procent van het totaal. In 2010 steeg dat al naar 140.000 stuks, of 9,4 procent. In de eerste maanden van 2011 was het al opgelopen naar 12,1 procent.

Contractmesterij

De toenemende populariteit van de jonge rosés lijkt vooral ten koste te gaan van de oude rosés, want het aantal slachtingen daarvan liep van 2009 op 2010 terug van ruim 308.000 naar 246.000. Dat lijkt om meerdere redenen logisch. Zo is het gemakkelijker om van oude rosés om te schakelen naar jonge dan van blanke vleeskalveren naar jonge rosés, omdat in het eerste geval de huisvesting niet of nauwelijks hoeft te worden veranderd, terwijl ook het voersysteem niet heel erg anders is. Bovendien is de blankvleeshouderij een sector die vooral werkt met contractmesterij, terwijl de rosé-houderij een sector is met grotendeels vrije mesters.

Toch loopt ook het aantal slachtingen van blanke vleeskalveren licht terug.
Zo dominant Van Drie is in de blankvleesector, zo zwak lijkt het bedrijf op het gebied van de jonge rosés. Wel worden er naar verluidt kleine aantallen geslacht in de slachterij in Aalten, die gespecialiseerd is in rosé-kalveren. Maar ook hier worden voor het overgrote deel oudere rosés geslacht. In de twee slachterijen in Apeldoorn en de andere in Nieuwerkerk worden blanke vleeskalveren geslacht en uitgebeend.

De houderij van oudere rosé-kalveren is de laatste jaren enigszins op z’n retour. De sector kent tussen de 240.000 en 260.000 dierplaatsen, maar de rendementen zijn vrij wisselend en liggen gemiddeld lager dan in de blankvleessector. Ook kreeg de sector een knauw door het faillissement van runderslachterij Weyl, voorjaar 2010. Dit bedrijf slachtte jaarlijks ruim 100.000 oude rosé-kalveren en verkocht het vlees ervan deels onder het merk Weylander-vlees.

Het vleesbedrijf van het vroegere Weyl in Enschede is wel weer open, als deel van Vion, maar er wordt nu alleen rundvlees verwerkt en verkocht onder de naam Weylander. Toch zijn nog diverse andere spelers actief in de segement van de rosés. De dieren worden geslacht in onder meer ’s Hertogenbosch (Vitelco) en in de slachthuizen in Amsterdam en Nijmegen. Enkele jaren geleden slachtten ook Vion in Tilburg en Gosschalk in Epe oudere rosés, maar die zijn daar weer mee gestopt.

Het afmesten en verwaarden van vleeskalveren is een activiteit die maar enkele gespecialiseerde spelers goed in de vingers hebben.

Foto

Of registreer je om te kunnen reageren.