Home

Achtergrond 119 x bekeken

Toekomst van het EU-landbouwbeleid

In de nabije toekomst staan enkele belangrijke beslissingen binnen EU-verband op de rol die het beeld van het gemeenschappelijke landbouwbeleid sterk kunnen bepalen.

Uiterlijk 2013 moet worden besloten over de budgetten in de nieuwe budgetperiode, lopend van 2014 tot 2020. De begrotingspositie van de lidstaten en de druk waaronder die staat, zal daarbij een grote rol spelen. Verdere afbouw van prijssteun – afschaffing van de exportsubsidies en verlaging van interventieprijzen – lijkt in het verschiet te liggen. Ook de directe inkomenstoeslagen zullen minder worden en omgebouwd tot betalingen voor maatschappelijke (‘groene’ en ‘blauwe’) diensten. Althans Nederland zal daar naar verwachting op inzetten, maar het is nog maar de vraag hoe andere landen daarover denken. Over de nieuwe budgetten zullen de landen politiek gezien dus nog een stevig robbertje vechten.
Verder worden naar verwachting in 2015 de melkquota afgeschaft. Jack Peerlings, docent Agrarische economie en plattelandsbeleid aan Wageningen University verwacht dat Nederland daar eerder voordeel van zal ondervinden dan nadeel. Nederland is immers een van ’s werelds meest concurrerende zuivel producerende landen. Wel zullen de voorwaarden vanuit milieuoogpunt bepalen hoe ver die positie kan worden uitgebouwd, is zijn kanttekening.

Overheid anders
Het toekomstig agrarisch marktbeleid in de EU zal dus sterk geliberaliseerd zijn, in de zin dat prijs- en inkomenssteun en exportsubsidies zullen verminderen of verdwijnen. Maar de rol van de overheid, inclusief de Europese, zal niet minder maar anders zijn, is de stelling van Jack Peerlings. Het beleid zal, zo geeft hij aan, steeds meer worden gevoerd vanuit wat ons nu zorgen baart en politiek en maatschappelijk wensen: meer aandacht voor voedselkwaliteit en voedselveiligheid, dierenwelzijn, milieubescherming en behoud van biodiversiteit.
Bovendien meent Peerlings dat er een ondergrens zit aan liberalisatie. Landen zullen nooit toestaan dat voedselzekerheid en een redelijke stabiliteit van de voedselprijzen zodanig worden verstoord dat daardoor politieke en sociale onrust gaat ontstaan. Daarmee zijn die doelen toch te strategisch en zullen de landen politiek gezien in laatste instantie willen kunnen ingrijpen. Er zijn allerlei aanleidingen denkbaar, zoals sterke schommelingen in prijs en productie van voedsel door bijvoorbeeld oorlogen of natuurrampen. Niet alleen op de korte maar ook op de lange termijn.

Andere beperkingen voor de EU en haar lidstaten aan een al te liberaal beleid kunnen voortkomen uit hun internationale politieke betrekkingen. Vragen wat de gevolgen van het eigen beleid of van bepaalde handelscontracten kunnen zijn voor de handelspartners en of die niet alleen direct nadelig voor hen zijn maar indirect en op termijn ook voor ons, kunnen tot terughoudendheid nopen. Als Europa bijvoorbeeld op grote schaal palmolie betrekt uit Zuidoost-Azië leidt dat ter plaatse tot ontbossing, en dat draagt weer bij aan de vergroting van broeikasgassen in de atmosfeer en daarmee aan de klimaatopwarming. Of de wens om op korte termijn lucratieve handelscontracten af te sluiten met dictatoriaal geregeerde landen, waar later ingrijpende politieke omwentelingen ontstaan, zoals in Noord-Afrika, en wij op de lange termijn in de problemen raken.

Foto

WUR

Of registreer je om te kunnen reageren.