Home

Achtergrond 163 x bekeken

Europa in kritisch perspectief

Europa heeft Nederland veel gebracht; de economie en zeker de agrofood-sector zouden minder zijn gegroeid als Nederland niet in de EU had gezeten en er geen Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) had bestaan. Meer nog, de doelstellingen van het GLB zoals vastgelegd in het Verdrag van Rome zijn gehaald. De gemeenschappelijke markt is nu zodanig ontwikkeld dat de hoofdpijler onder het GLB – prijssteun, exportsubsidies, inkomenstoeslagen – binnen niet al te lange tijd kan worden afgebroken.

Heeft het gelijk van de aanhangers van die visie toch niet een achterkant? Heeft de ontwikkeling van Europa en het GLB ook ‘collateraldamage’ binnen en buiten Europa met zich meegebracht? En hoe zal het in de toekomst gaan? Kritische kanttekeningen komen van prof.dr.ir. Jan Douwe van der Ploeg, hoogleraar Transitieprocessen in Europa aan Wageningen University.

“Vooropgesteld”, zegt Van der Ploeg, “het is goed dat Europa er is maar het is ook nog lang niet af.” Bovendien stelt hij dat veel van wat is misgegaan en nog misgaat niet allemaal te wijten valt aan het GLB. Niettemin zegt hij, terugkijkend op de geschiedenis van Europa, dat er historische kansen zijn gemist door doelen niet tijdig bij te stellen en aan te passen aan de eisen van de tijd. Daarnaast is er naar zijn mening onvoldoende aandacht geweest voor enerzijds het ‘ritme van de verandering’ – door de beleidsmakers ingezet - tegenover anderzijds ‘het ritme van de aanpassing’ – door de boeren. Kijkend naar de toekomst vindt Van der Ploeg het ‘meest treurige’ dat het landbouwbeleid is geëvalueerd naar: we hebben het niet meer nodig, en dat het straks (bijna) uitsluitend nog bestaat uit betaling van ‘groene’ en ‘blauwe’ diensten. Zo’n stap noemt hij zeer lichtzinnig.

Gemiste kansen

Met name in het Verdrag van Lissabon (2007) zijn een aantal zaken volgens Van der Ploeg niet of niet goed genoeg geregeld. Zo hadden afspraken rond duurzaamheid een pregnantere plaats moeten hebben. Daarnaast meent hij dat de laatste jaren de Europese voedselproductie onvoldoende is beschermd tegen de volatiliteit van de markten en dat daardoor die productie wordt bedreigd; er bestaan nog altijd behoorlijke economische problemen in deelsectoren en in bepaalde regio’s zoals de melkveesector in Nederland en Denemarken is de liquiditeitspositie kritiek. En verder had de toegang tot de Europese markt voor met name de ontwikkelingslanden beter geregeld moeten worden.

Bij de ontwikkeling van het GLB zijn in de visie van Van der Ploeg nogal wat problemen langsgekomen: de intensivering van de landbouw is ondoordacht geweest met zeer ongewenste gevolgen voor het milieu; er zijn grote en onwenselijke ongelijkheden tussen de diverse regio’s, en er zijn grote onevenwichtigheden tussen de West- en Oost-Europese lidstaten. Voor Van der Ploeg is niet duidelijk hoe Europa daar uit wil komen. En dat zal ze moeten, al was het maar omdat de economische crises waarvan we nog maar de eerste rimpeling hebben gezien, nog veel narigheid zal brengen.

Waarom dan toch een minder ‘uitgekleed’ Europees landbouwbeleid dan er nu kennelijk zit aan te komen? Van der Ploeg noemt daarvoor een aantal redenen: De voedselproductie, en daarmee de voedselzekerheid, vraagt om continue bescherming en aandacht. In een meer liberale setting is een redelijk inkomen voor de landbouwbevolking niet zeker en alleen al uit oogpunt van het voorkomen van politieke en sociale onrust is aandacht daarvoor gewenst. En, regionale onevenwichtigheden moeten kleiner of liefst weggenomen worden.

Van der Ploeg vindt ook dat er paal en perk moet worden gesteld aan wat hij noemt de ‘outsourcing’ van de voedselproductie naar buiten Europa. De manier waarop dat nu gaat – ‘hit-and-run’, volgens hem – gaat ten kosten van die gebieden en van de bevolking daar.
En verder zou Van der Ploeg zien dat er meer aandacht komt voor duurzaamheid en voor stabiliteit van de markten, waar de volatiliteit zo groot is dat investeren, in bijvoorbeeld duurzaamheid, nauwelijks loont. Op dit punt tekent hij aan dat ‘men de ernst van de situatie niet in wil zien’ en dat op dit vlak ook in Wageningen een ‘naïef vooruitgangsgeloof’ heerst.

De naar het oordeel van prof. Van der Ploeg lichtzinnige Europese houding contrasteert met wat elders gebeurt, zoals in China, Brazilië en Canada. Die landen hebben ondanks een geliberaliseerde agro-markt toch een uitgekiende landbouwpolitiek en kunnen zij ongewenste bijeffecten van een imperfecte markt tijdig corrigeren.

Waar gaat het heen volgens Jan Douwe van der Ploeg? Zelf is hij optimistisch over de tegenbeweging die zich steeds duidelijker aftekent. Want terwijl de ondernemerslandbouw, die sterk leunde op het vroegere landbouwbeleid van de EU, verstrikt raakt in een steeds dieper wordende crisis, is er óók en tegelijkertijd sprake van een revitalisering van de boerenlandbouw. Autonomie, multifunctionaliteit, worteling in lokale ecosystemen en nieuwe verbindingen met consumenten zijn daarbij belangrijke trefwoorden. In ‘The New Peasantries’ (dat in 2008 bij Earthscan werd gepubliceerd) heeft hij dit nieuwe perspectief verder uitgewerkt.

Foto

WUR

Of registreer je om te kunnen reageren.