Home

Achtergrond 597 x bekeken

DNA-test diermeel belangrijke maar lastige puzzel

Herintroductie van diermeel als grondstof voor veevoer staat of valt bij een goede controle. Rundveebrok moet immers gegarandeerd vrij blijven van dierlijk materiaal, varkens- en kippenvoer mogen alleen diermeel van sommige soorten bevatten. Het Rikilt werkt eraan.

Tot nu toe was de controle op diermeel in voer niet zo heel ingewikkeld. Met een microscoop kan een geoefend oog botfragmenten of stukjes spiervezel onderscheiden. Zit dat er in, dan is het foute boel, want alle diermeel is verboden in veevoer. Alleen vismeel is toegestaan in pluimvee- en varkensvoer.

Het Rikilt in Wageningen onderzoekt zo jaarlijks duizend voermonsters.
Maar als straks varkens wel weer vermalen pluimvee mogen vreten en pluimvee materiaal van varkens, dan wordt dat anders. Nu de BSE-crisis bezworen lijkt, wil de Europese Commissie diermeel deels weer toestaan.

Als dat doorgaat, ia de microscoopmethode niet meer afdoende. Rundveevoer zal ook in de toekomst vrij moeten blijven van dierlijk materiaal. Bij varkens- en kippenvoer gaat het er straks niet om óf er dierlijke resten in zitten, maar van welk dier.

Daarvoor komen twee methoden in aanmerking, vertelt onderzoeker Leo van Raamsdonk. Een zogeheten immuno-chemische methode en eentje op basis van DNA. De eerste is voor te stellen als een soort lakmoesproef. Een laborant doet een papiertje in een oplossing met een voermonster, en als het verkleurt, zit er dierlijk materiaal van een bepaalde herkomst in. Helaas staat deze methode nog maar in de kinderschoenen. Het duurt nog jaren voor diermeel zo getest kan worden.

Verder gevorderd is de zogeheten realtime PCR-test, vertelt onderzoekster Ingrid Scholtens. Deze test werkt op DNA-niveau. PCR-tests hebben al brede toepassing. Van forensisch onderzoek tot het opsporen van ziekteverwekkers en gmo-soja. Dat laatste gebeurt overigens ook bij het Rikilt.

Een PCR-test werkt als volgt. DNA van een monster wordt op kweek gezet in een soep van nucleotiden, het enzym polymerase en kunstmatig geproduceerde stukjes DNA. Die stukjes zijn als het ware de zoeksleutel. Het is een deel van de genetische code dat kenmerkend is voor een diersoort, zoals een rund, of voor een groep, bijvoorbeeld herkauwers. Als na enkele uren veel van dit kenmerkende DNA is ontstaan, is er een positieve uitslag, en is aangetoond dat er materiaal van de gezochte diersoort in het monster aanwezig was.

Het mooist zou zijn als er voor elke soort die mogelijk in het diermeel voorkomt zo’n test is. Maar hier botst het ideaal met de werkelijkheid. Die is er niet, en voor veel soorten zal het ook een hele toer zijn. Van runderen is de genetische code bekend en van varkens en kippen grotendeels ook. Maar van economisch minder belangrijke soorten als rendier en hert niet. Daarvoor is het lastiger om een kenmerkend stuk DNA te zoeken waarop de test gebaseerd kan worden.

Nog ingewikkelder wordt het als ook vissen moeten worden herkend. Daar is veel meer variatie en er is nog minder van bekend. Toch kan het in de praktijk straks erg aantrekkelijk zijn om diermeel aan vissen te voeren.

Veel onzekerheden dus. Voor een wetenschapper zeer onbevredigend. Van Raamsdonk: ”Het is niet aan ons om te zeggen hoeveel zekerheid nodig is. Wij kunnen alleen zeggen waar de onzekerheden liggen.” Zijn team werkt nu aan tests voor varkens, kippen en runderen. Het kan nog wel twee jaar duren voor die tests geaccrediteerd zijn.

TSE, BSE, CJD en scrapie

Sinds de BSE-crisis van eind jaren 90 is er veel onderzoek gedaan naar deze hersenziekte. Er zijn veel varianten van ’overdraagbare spongiforme encefalopatie’. De verzamelnaam is TSE.

Bij mensen heet het ziekte van Creutzfeldt-Jakob, bij runderen BSE en bij schapen en geiten scrapie. Alleen van BSE staat vast dat het een zoönose is en dus van dier naar mens overdraagbaar. Mensen die besmet zijn met BSE krijgen een variant van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob (vCJD). Van de ’normale’ CJD, die bij mensen het meest voorkomt, is niet bekend deze het ontstaat, maar volgens de Europese voedselveiligheidsinstantie Efsa is niet uit te sluiten dat ook hier dierlijke TSE in het spel is.

Van scrapie is nooit aangetoond dat het overdraagbaar is op mensen. Maar er zijn te weinig onderzoeksgegevens om die overdraagbaarheid echt uit te kunnen sluiten.

Naast scrapie en BSE zijn er nog enkele TSE-varianten die mogelijk zoönotisch zijn, maar waarover nog minder bekend is.

Foto

Of registreer je om te kunnen reageren.