Home

Achtergrond 174 x bekeken

Stringent toelatingsbeleid gewasbeschermingsmiddelen

Niet elk chemisch middel tegen ziekten, plagen of onkruid mag zo maar worden gebruikt in de landbouw. Voordat een middel op de markt mag worden gebracht, moet het eerst officieel worden toegelaten.

In Nederland geschiedt dat door het College toelating gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Dit college is sinds 2000 een zgn. zelfstandig bestuursorgaan dat het beleid op dit terrein uitvoert van vier ministeries: Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I), Volksgezondheid, Welzijn en Sport VWS), Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en Infrastructuur en Milieu (I&M), op basis van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb). Het Ctgb legt verantwoording af aan de vier betrokken ministers die daarvoor een Commissie van toezicht in het leven hebben geroepen.

De beoordeling op afstand van politiek en beleid, volgens vastgestelde richtlijnen en methodieken en een zorgvuldig toetsingskader, heeft voor de producenten en andere betrokken het voordeel dat dit proces zo objectief en transparant mogelijk verloopt. Overigens mag het Ctgb politiek en beleidsinstanties gevraagd en ongevraagd adviseren.

Middelen

Op basis van normen en methodieken die door de ministeries zijn bepaald weegt het Ctgb op wetenschappelijke gronden de risico’s die de middelen waarvoor toelating wordt gevraagd op aspecten van volksgezondheid (voor de gebruiker, diens medewerkers en de ‘omstanders’), milieu (bodem en grondwater) en of een middel persistente – d.w.z. moeilijk afbreekbare – bestanddelen kent. Van belang is het onderscheid tussen enerzijds de werkzame stoffen en anderzijds de middelen op basis van één of meerdere werkzame stoffen. Voor de werkzame stoffen geldt een toelating in Europees verband. Eén van de lidstaten voert de zgn. stofbeoordeling uit. De overige lidstaten becommentariëren de stofbeoordelingen waarna deze voor besluitvorming bij de Europese Commissie wordt ingediend. De toegelaten werkzame stoffen staan in Bijlage 1 van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn 91/414/EEG.

Binnenkort verandert de nationale toelating van gewasbeschermingsmiddelen in die zin dat een beoordeling van een middel in één EU-lidstaat ook geldt voor de overige lidstaten. Weliswaar beslissen de nationale toelatingsautoriteiten over de toelating in het eigen land, maar die moeten de uitgebreide beoordeling van het land waar deze is aangevraagd als leidraad volgen en kunnen voor het eigen land daarnaast alleen de specifieke nationale omstandigheden – bijvoorbeeld het verschil in bodemeigenschappen – in hun besluit betrekken. Zo hoeft een producent maar een lange procedure te doorstaan en is in de andere landen minder tijd kwijt.

College

Het Ctgb bestaat uit een college en een secretariaat dat het college bijstaat en ondersteunt. Naast de voorzitter bestaat het college zelf uit vier leden en vier plaatsvervangende leden. Deze zijn allen afkomstig uit wetenschap en bestuur. De secretaris van het college is tevens directeur van het secretariaat. Dat telde in 2010 69 medewerkers (60,5 FTE). Het Ctgb is gevestigd in Wageningen

Jaarlijks behandelt het college honderden aanvragen gewasbeschermingsmiddelen. Die zijn van uiteenlopende aard, van verzoeken tot toelating van een nieuw middel, tot verzoek tot uitbreiding van gebruik op meer gewassen dan voordien of het wijzigen van een gebruiksaanwijzing. Van het totaal aantal aanvragen gaat het jaarlijks om tussen de 30 en 40 nieuwe gewasbeschermingsmiddelen. Op dit moment zijn er in Nederland 744 gewasbeschermingsmiddelen en 827 biociden toegelaten.
De meeste aanvragen voor een nieuwe gewasbeschermingsmiddel zijn binnen 1 jaar afgehandeld.

Foto

WUR

Of registreer je om te kunnen reageren.