Home

Achtergrond 359 x bekeken

Gewasbescherming - Enkele historische notities

Naar schatting 12.000 jaar geleden begon de mens landbouw te bedrijven. Behalve vergroting van het voedselaanbod had dat ook een forse ingreep in de natuur tot gevolg. En daarmee haalde de mens plagen en ziekten als het ware door eigen toedoen binnen.

Verweer tegen ziekten en plagen, en niet te vergeten: onkruid, is dus wat de mensheid kort samengevat bezig houdt bij de bescherming van de gewassen die hij teelt voor eigen productie, of het voor de voedselvoorziening is of anderszins. Plagen ontstaan, zo zegt de Wageningse entomoloog Joop van Lenteren, door monocultuur in de landbouw, waardoor de biodiversiteit onvoldoende natuurlijke weerstand kan leveren, en door het slepen van gewassen over de hele wereld, zoals dat sinds een paar eeuwen gebeurt. Daar past wel de kanttekening bij dat sommige monocultures heel duurzaam kunnen zijn, zoals theeplantages in India, of een natuurlijke monocultuur als bijvoorbeeld de prairies in de Verenigde Staten.

Beschermen van gewassen tegen ziekten en plagen is enerzijds het zoveel mogelijk voorkomen dat ziekten en plagen optreden, en anderzijds, als ze zich eenmaal voordoen, ze te bestrijden. De preventie bestaat doorgaans uit maatregelen als hygiëne, kweken op resistentie of het benutten van biologische zelfregulering. Bij bestrijding gaat het om het inzetten van middelen om parasieten, nematoden, schimmels of bacteriën uit te schakelen of bijvoorbeeld insecten of andere dieren die ze overbrengen of zelf schade veroorzaken.

De geschiedenis van de gewasbescherming kent een aantal perioden die zich kenmerken door wat in die tijden de gangbare trends waren.

Prof.dr. Jan Carel Zadoks, van 1961 tot 1979 achtereenvolgens universitair docent en lector, en van 1980 tot 1994 hoogleraar Fytopathologie aan de Landbouwuniversiteit Wageningen. Hij wordt algemeen beschouwd als autoriteit op het gebied van de (ecologische) gewasbescherming, met name de bescherming tegen ziektes. Zadoks hanteert een tijdsindeling van wat hij een mentaliteitsgeschiedenis noemt, waarin zowel de maatschappelijke praktijk als de wetenschappelijke kant te herkennen valt.

· Tot 1890, de voorwetenschappelijke episode: ziekten en plagen kwamen van God of de duivel; inzicht in oorzaak en gevolg ontbrak. (Zadoks beschrijft hoe in 1320 meikevers voor de kerkelijke rechtbank van Avignon werden gedaagd en veroordeeld: “De meikeverplaag verdween, waarmee het overwicht van de kerk over de duivelse krachten eens temeer bewezen was.”) Echt onderzoek komt pas rond 1700 op gang. In 1890 stelde Robert Koch in zijn befaamde Postulaten vast; dat zijn de voorwaarden waaraan het wetenschappelijk volledig sluitend bewijs voor pathogeniteit moet voldoen. Zij worden nu nog gebruikt om een micro-organisme als unieke oorzaak van een besmettelijke ziekte aan te wijzen. Daarmee kwam de volgende episode in beeld.

· 1890-1940, de pathogenistische episode, het idee dat één goed gedefinieerde ziekteverwekker (pathogeen) de oorzaak is van één goed gedefinieerde ziekte. Het is het begin van een bloeiperiode in o.a. gewasbeschermingsonderzoek en valt samen met de eerste periode van de Rijkslandbouwhogeschool in Wageningen, later de Landbouwhogeschool, daarna de Landbouwuniversiteit Wageningen en nu Wageningen University. Het was ook de tijd dat virologie als wetenschappelijke discipline werd ontwikkeld, en waarin de Wageningse invloed substantieel bleek. Zo werden in Wageningen het tabakmozaiekvirus ontdekt, als ook het bladrolvirus, veroorzaker van een aardappelziekte en overgebracht door bladluis. Er kwam een keuringsdienst voor voortkwekingsmateriaal, de Nederlandse Algemene Keuringsdienst (NAK) dat alle te exporteren pootgoed, bloembollen en zaaizaden controleerde.

· 1940-1990, de chemistische episode, de nieuwe visie op ziekte en gezondheid – het ‘chemisme’ – waarbij ziekte werd gezien als ergerlijk ongemak dat door een pilletje kan en moet worden verholpen. In de landbouw droeg de invoering sterk bij tot de stijging van de arbeidsproductiviteit; tijd- en energieverslindende activiteiten konden achterwege blijven. Het was de tijd van de enorme opbloei van de landbouw, de tijd dat Nederland op de derde plaats bereikte op de wereldranglijst van agrarische exportlanden (inmiddels op de tweede plaats). In die jaren deed de preventieve chemische bestrijding alsook de ‘chemotherapie’ (Zadoks) haar intree in de landbouw.
Ook de Landbouwhogeschool droeg bij aan deze chemistische periode, met onderzoek naar de werking van de middelen maar ook hoe schimmels resistent konden worden tegen deze middelen. In die tijd zochten ecologen al andere wegen, o.a. Wageningse entomologen (Zie Biologische bestrijding). In het besef dat chemisme een doodlopende richting zou worden, waarbij een middel vaker en in hogere dosering moet worden toegepast met afnemend effect omdat de plantenbelager steeds resistenter wordt. (Zadoks in 1995: “Hoogstens vijf procent van het toegediende pesticide bereikt zijn doel, de te doden belager; de rest is milieuverontreiniging.”) Vrijwel ieder volgend middel is wel beter, d.w.z. specifieker, minder giftig voor onbedoeld getroffen organismen en minder persistent.
Minder spuiten werd het motto maar wel op het juiste tijdstip, de zgn. harmonische bestrijding en later de geïntegreerde bestrijding genoemd (Integrated Pest Management, IPM), met minimale toepassing van chemische middelen en maximaal biologische middelen. In de tweede helft van de zeventiger jaren werd onder leiding van prof. Zadoks het experimentele EPIPRE-project opgezet, het eerste gecomputeriseerde adviessysteem rond gewasbescherming, waar veel boeren enthousiast aan meewerkten. Het systeem werd de voorloper van de huidige commerciële geautomatiseerde beslissingsondersteunende adviessystemen via internet.

· Na 1990, de de new environmentalist period, ofwel de episode van het nieuwe milieubesef, ontstaan op basis de onvrede die bij wetenschappers en telers ontstond over de effectiviteit van chemische bestrijdingsmiddelen en de ongewenste neveneffecten op mens en natuur. Zoals hierboven blijkt ontstond die onvrede al in de vijftiger jaren maar kwam pas goed op gang met de publicatie van Rachel Carson’s Silent Spring in 1962. EPIPRE deed zijn werk rond 1980 en als gevolg bleef in Nederland het gebruik van bestrijdingsmiddelen in tarwe ver achter bij dat in omringende landen. Alleen, aldus Zadoks, “het Ministerie van Landbouw en het Landbouwschap keken meestal de andere kant uit, hand in hand. Zij zagen niets, zij hoorden bijna niets, zij roken zelfs niets.” De ommezwaai kwam in 1990 met het Meerjarenplan Gewasbescherming met als doel vermindering van de afhankelijkheid, volume en emissie van bestrijdingsmiddelen. Het concept ‘duurzaamheid’ kwam sindsdien in zwang.
Deze milieubewuste periode duurt ook thans nog voort.

Zadoks tekent daar nu bij aan dat, behalve de opvattingen van vóór 1890 (uitzonderingen in primitieve en zwaar-religieuze gebieden daargelaten), de paradigma’s van de diverse episoden na 1890 nog altijd gelden of worden aangehangen: “Er is sprake van verschuivingen, van dominante naar minder dominante trends. Verdwijnen doen ze niet.”

Foto

WUR

Of registreer je om te kunnen reageren.