Home

Achtergrond 878 x bekeken

Biologische bestrijding

Strikt genomen maakt de mens al sinds hij landbouw bedrijft gebruik van zijn kennis van de ecologie bij de bescherming van gewassen.

Biologische bestrijding, het gebruik maken van vleesetende insecten om plantenetende insecten onder de duim te houden, bestaat zo’n 120 jaar. Prof. Zadoks zei het in 1995 zo: “De plantenbelager wordt op zijn beurt opgegeten door een belagersbelager, de superbelager.”

Het jaar 1888 wordt algemeen als startpunt beschouwd van de biologische bestrijding. Toen werden voor het eerst met succes vanuit Australië lieveheersbeestjes geïmporteerd ter bestrijding van schildluis in de citrusteelt in Californië. Zo ontstond het idee dat de beste manier om natuurlijke vijanden van plaagdieren te zoeken in het land waar gewas en plaag vandaan kwamen. Hoewel de kennis al de nodige tijd beschikbaar was en ook toegepast – bijvoorbeeld in het toenmalige Nederlands-Indië voor de Tweede Wereldoorlog – begon de biologische bestrijding haar opgang toen het besef doordrong dat het inzetten van chemische bestrijding op grote schaal een doodlopende weg was.

Nederland is koploper bij de ontwikkeling van deze duurzame manier van bestrijding van plagen en ziekten. In de fruitteelt en de tuinbouw, vooral in de kassen, wordt ze alom toegepast, maar ook op andere terrein binnen de agrarische sector wint ze terrein. Veel van de kennis daaromtrent is ontwikkeld in Wageningen, onder leiding van prof.dr. Joop van Lenteren, van 1983 tot 2010 hoogleraar Entomologie aan Wageningen University. Van oorsprong bioloog en ecoloog hield hij zich aan de universiteit van Leiden al bezig met biologische bestrijding van plagen in het Westlandse kassengebied. In Wageningen introduceerde hij de ecologische benadering, met als wetenschappelijke basis het effectief zoeken naar de meest geschikte biologische bestrijding per geval en het vinden van de geëigende organismen daarbij. Overigens vindt Van Lenteren dat het natuurlijke afweersysteem, waar de mens niet aan te pas komt en mits de mens die zijn gang laat gaan, nog altijd vaak het leeuwendeel van het voorkomen van plagen en ziekten voor zijn rekening neemt. Naar zijn mening is onomstotelijk aangetoond dat biologische bestrijding niet alleen de milieuveiligste maar ook economisch de meest rendabele manier is om plagen in de landbouw te bestrijden; de bijdrage aan de productie van gewassen door biologische bestrijding is enkele malen groter dan de chemische. Bovendien is de slaagkans bij het zoeken naar een natuurlijke vijand voor een plaag honderdduizend keer groter dan bij een nieuw chemisch bestrijdingsmiddel en kost het vinden van een nieuwe natuurlijke vijand ongeveer twee miljoen euro en een nieuw chemisch middel daarentegen gemiddeld 150 miljoen euro.

Van Lenteren meent dat over enkele decennia de chemische bestrijding praktisch tot het verleden behoort. Intussen, zo vindt hij, verloopt de introductie, wel met horten en stoten, dankzij een tegenwerkende en ongeïnteresseerde pesticidenindustrie voor wie grote belangen op het spel staan. Maar ook de overheid is laks of staat juist met een overvloed aan regels een snelle introductie in de weg. Van Lenteren heeft zijn hoop gevestigd op de supermarkten en vooral de consumenten die steeds vaker vragen om producten die vrij zijn van (verboden) bestrijdingsmiddelen.

Overigens kent de biologische bestrijding ook haar keerzijden; neveneffecten, bijvoorbeeld op inheemse insecten, kregen in eerste instantie weinig aandacht. Bekend voorbeeld is de introductie van het Aziatisch lieveheersbeestje dat in ons klimaat uitstekend gedijde maar ook onze eigen, inheemse lieveheersbeestjes verdringt. Dat vereist zorgvuldiger vooronderzoek waarbij bij de keuze van een nieuw bestrijder niet meer het accent ligt op haar eigen effectiviteit maar ook of zij naast de te bestrijden plaagsoort ook andere prooidieren eet. Wageningen UR was zich daar al tijdig van bewust en heeft ook grote bijdragen geleverd aan zorgvuldiger vooronderzoek. Wageningse onderzoekers hebben met financiële steun van de EU een methode ontwikkeld om milieurisico’s in kaart te brengen. Die methode wordt nu gebruikt bij de toelating van nieuwe biologische bestrijders in Europa.

De praktijk van de biologische bestrijding heeft in de loop van de laatste 120 jaar 165 plagen en onkruiden permanent onder controle weten te houden. Daartoe werden 2.700 soorten natuurlijke vijanden geëvalueerd op hun bestrijdingscapaciteit. In 30 % van de gevallen is een blijvende onderdrukking van de plaagsoort bereikt en 10% in volledige beheersing van de plaag. Het meest gebruikte organisme is Rodolia (een lieveheersbeestje) dat in meer dan 50 landen schildluisplagen onder de duim houdt.
Wereldwijd worden daarnaast 230 natuurlijke vijanden op commerciële basis geproduceerd om meer dan 100 regelmatig terugkerende plagen te bestrijden. Biologische bestrijding levert als ecosysteemdienst jaarlijks het duizelingwekkende bedrag van 400 miljard dollar op.

Foto

WUR

Of registreer je om te kunnen reageren.