Home

Achtergrond 383 x bekeken 2 reacties

Wie niet mee wil, moet afhaken

Voorzitter Albert Jan Maat en directeur Thijs Cuijpers van LTO Nederland vormen sinds november van dit jaar een tandem. Cuijpers keerde terug bij de organisatie die hij zes jaar geleden verliet: ”Als er niets was veranderd, had ik het niet moeten doen. En LTO Nederland ook niet”, zegt hij.

LTO Nederland heeft een vernieuwde leiding. Dit jaar is de bestuursstructuur veranderd. De organisatie wordt geleid door de drie regionale voorzitters en landelijk voorzitter Albert Jan Maat. De voorzitters hebben hun eigen portefeuille waarvoor ze landelijk verantwoordelijk zijn.
Sinds ruim een maand wordt de organisatie geleid door directeur Thijs Cuijpers. Cuijpers is een oude bekende van LTO Nederland. Voor hij zes jaar geleden naar de provincie Noord-Holland vertrok, was hij lange tijd in dienst van de belangenbehartiger.

Het was echter niet uit weemoed dat hij terugkwam vertelt Thijs Cuijpers: ”Toen we nog in de procedure zaten voor deze functie, heb ik tegen het bestuur gezegd: er moet wel iets veranderd zijn bij de organisatie. Als dat niet het geval is, dan moet ik het niet doen en dan moeten jullie het ook niet doen.”

Heeft dat te maken met mensen of met cultuur?
Thijs Cuijpers: ”Zoiets heeft altijd met mensen te maken. LTO Nederland heeft nu vier gloedvolle en bevlogen voorzitters, die elkaar vertrouwen en waar de wil om samen te werken van af spat. Dat vind ik nieuw ten opzichte van zes jaar geleden.”
Albert Jan Maat: ”Als hij die vraag niet had gesteld, hadden we dat vreemd gevonden.”

Boerenzoon Cuijpers was docent op een agrarische school, ambtenaar bij het landbouwministerie en sectormanager Veehouderij bij LTO Nederland voor hij zes jaar geleden een uitstap maakte naar de provincie Noord-Holland.

Waarom heeft de organisatie gekozen voor een directeur die zo nadrukkelijk met de land- en tuinbouw is verweven?
Maat: ”Hij heeft zijn sporen ook verdiend buiten de agrarische sector. We hebben gekozen voor iemand die LTO Nederland kent, maar die er ook van buiten tegenaan kan kijken. We hebben twee enerverende gesprekken gevoerd, waarbij hij met kop en schouders boven de anderen uitstak. Hij heeft bezieling, een grote betrokkenheid én een kritische distantie. Hij trekt met een gezonde portie ongeduld aan de organisatie. En alleen al het feit dat we een directeur aanstellen, laat zien dat er wél wat is veranderd.”
Cuijpers: ”Ik ben zes jaar weggeweest en ik zie dat de tent is opgefrist. We spreken elkaar nu aan op wat er moet gebeuren. We hebben vijf thema’s vastgesteld, en de bestuurders hebben hun eigen portefeuilles. Als het over duurzaamheid gaat, kan Hans Huijbers in het Noorden komen spreken en als het over natuurbeleid gaat, komt Siem-jan Schenk in het Zuiden. Ik merk nu al dat dat opvalt bij de buitenwereld.”

Gaan we Cuijpers ook zien?
Cuijpers: ”Over het algemeen zie je de voorzitter. Bestuurders zijn erop gericht naar buiten te gaan. We hebben nadrukkelijk afgesproken dat Noud Janssen, Siem-jan Schenk, Hans Huijbers en Albert Jan Maat de boegbeelden zijn. Mijn taak is om de organisatie efficiënt in te zetten en te sturen op de agenda. We moeten focus aanbrengen, werken aan de vijf thema’s, kiezen en flexibel zijn en dat in een organisatie die een grote diversiteit kent met belangrijke internationale, nationale en regionale vraagstukken. Mijn taak is om daar – samen met mijn collega-directeuren van de drie regionale organisaties – sturing aan te geven.”

Dit jaar is cruciaal geweest in de verandering van de organisatie. Volgend jaar moet dat ook merkbaar worden voor de boeren en tuinders?
Maat: ”Onze manier van werken heeft al resultaat opgeleverd. Als wij niet pro-actief onze punten hadden ingestoken bij de onderhandelingen voor het huidige kabinet, had het regeringsakkoord er anders uitgezien. Daar hebben we aantoonbaar resultaten geboekt.”

En volgend jaar?
Maat: ”De acceptatie van de intensieve veehouderij in de samenleving van de agrarische sector is bijzonder sterk afgenomen. We moeten inzetten op een verbetering van de relatie tussen de intensieve veehouderij en de maatschappij. Als provincies alle uitbreidingen op slot zetten, komen onze leden terecht in opstand. Dat is natuurlijk onverteerbaar. En het is ook onacceptabel dat varkenshouders als een besmette groep in het ziekenhuis aan een apart loket behandeld worden.
Belangrijke punten zijn volgend jaar de vermindering van het antibioticagebruik en het uitrollen en verbeteren van het Beter Leven Keurmerk in de varkenshouderij. Eén ster moet twee sterren worden, varkenshouderijbreed. Cruciaal is dat – met een groter deel van de opbrengstprijs voor de boer – het boereninkomen centraal staat. Want hij moet het als ondernemer dóen, hij moet staan voor de noodzakelijke investeringen.
Veel varkenshouders komen in de knel. Er moet een sociaal beleid komen met sanering of opschaling en dat kan alleen als supermarkten en andere partijen daaraan meewerken. We moeten verder met minder antibiotica en meer dierenwelzijn. In 202 moet alle vlees duurzaam zijn.
We moeten in 2012 echt een stap maken in het mestbeleid. Wie vee heeft, heeft grond of mestverwerking. En als je daar niet aan voldoet, is het einde verhaal. Het zal moeten. Als we dat probleem niet oplossen moet de veehouderij ruimte inleveren. De vraag is, wat kies je?”

Wie niet mee wil moet afhaken?
Maat: ”Er is geen andere keus. Adel verplicht.”

Moet Europese steun ook voor mestverwerking worden aangewend?
Maat: ”Er zal zeker wat naar de intensieve veehouderij en de melkveehouderij gaan, om in te zetten op mestverwerking. De land- en tuinbouw mag rekenen op 760 miljoen euro aan Europese gelden. Dat geld moet worden ingezet om er sterker van te worden.”

Het landbouw-economisch instituut LEI noemde die 760 miljoen euro klein geld vergeleken met de totale omzet van de land- en tuinbouw.
Maat: ”Dat klopt, maar als je kijkt naar de inkomens, dan blijkt voor een aantal van onze ondernemers die toeslag toch wel van groot belang. Je moet je realiseren wat je met dat geld kunt doen. We moeten toe naar een sector die in 2020 minder grondstoffen verbruikt, minder energie nodig heeft – of zelfs energie produceert en die beter ingepast is in het landschap. Dáár moeten we dat Europese geld voor gebruiken. En voor dat ’klein geld’ wil LTO Nederland zich nog echt wel het leplazarus lopen.”
Cuijpers: ”De uitdaging bij het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid is om het geld niet alleen in te zetten op basis van het verleden. Het moet gericht zijn op de toekomst. Dat is iets waar wij volop aan het sturen zijn, zowel in Brussel als in Den Haag.”

En in de glastuinbouw?
Maat: ”De gelden voor de gemeenschappelijke marktordening (GMO) hebben wel gewerkt bij de bundeling van teelten. Maar werken ze ook in de afzet van producten? Ondernemerschap in de tuinbouw is ook investeren in de keten. We zien in de voedingstuinbouw dat waar er nog sterke coöperaties zijn er nog een relatie bestaat tussen de prijs voor de primaire producent en de prijs in de winkel.
Voor ons is het niet acceptabel dat bij een beetje druk op de markt de prijs keldert. Als je product waardevol is, vereist dat een andere houding. Ik denk dat er ook voor de tuinbouw wel perspectief is, als we de GMO-gelden meer ketengewijs inzetten. Als de gemeenschapszin bij de tuinders groter zou zijn, zouden er ook meer tuinders overleven. Al zien we ook hier: nood leert bidden.
Tegelijk moeten we ook constateren dat zestig ondernemers – en niet de kleinsten – de koppen bij elkaar hebben gestoken. Zij hebben wel stappen gezet. Ik zie toch meer activiteit dan twee tot drie jaar geleden en dat is een verdienste van de ondernemers zelf. LTO Glaskracht Nederland ondersteunt waar nodig ook dergelijke initiatieven. En laten we zuinig zijn op wat er al is, zoals de coöperatie Greenery.”

Ik zie Huijbers, Janssen, Schenk en Maat eensgezind optrekken. Wanneer komt er nu eindelijk eens één LTO Nederland?
Maat: ”Ga maar met mijn collega’s praten. Wij trekken samen op, we binden elkaar op de inhoud. Noem me één punt waarop we níet samenwerken. Maar fusie is geen optie. De inhoud en de inzet mogen niet lijden onder welke organisatievorm dan ook. Daar zet ik de streep. De leden vinden het belangrijker dat hun belangen goed worden behartigd in de gemeente, in de provincie, in Den Haag en in Brussel. Daaraan is de organisatie ondergeschikt.”

Foto

Laatste reacties

  • no-profile-image

    Ik stoor me aan het gezegde dat het LTO de belangenbehartiger is van de landbouw. Ik zie dat het meer de belangenbehartiger is van de wet. Wanneer ziet men ze nu eens een keer een vuist tegen weer een nieuwe onzinnige onbegrijpbare wet, of tegen banale uitlatingen van Wakker Dier of van de PvdD. Het LTO blijft liever vriendje van iedereen, met de drog redenen om de problemen zelf aan te pakken omdat anders de wetten nog veel onacceptabeler zouden worden. Het heeft wel als gevolg dat steeds meer mensen hen de rug toe keren en hun onderkomen zoeken bij het NMV e.d. Het LTO is vaak nog roomser dan Bleker.

  • no-profile-image

    Zo is dat Alco. Het is zelfs al zo ver dat LTO het beleid mee opstelt. Als er daarna een heleboel niet blijkt te kloppen (jawel Verstraten, weer die mestwet), kan LTO niet eens voor de leden opkomen. Ze hebben immers zelf de onzin mee de wereld ingebracht. Doorgeslagen poldermodel noemen we dat.

Of registreer je om te kunnen reageren.