Home

Achtergrond 661 x bekeken

Anti-doemdenker

Wageningen raakt zijn boegbeeld kwijt. Rudy Rabbinge, internationaal vermaard landbouwwetenschapper en bestuurder en zelf verklaard ’vooruitgangsgelovige’, gaat met pensioen.

Een vooruitgangsgelovige, zo noemt hij zichzelf. Rudy Rabbinge heeft een groot vertrouwen in de vindingrijkheid van mensen en een hekel aan doemdenkers. Het menselijk vernuft is volgens hem hét wapen tegen de rampen die pessimisten de mensheid keer op keer voorspellen. Rabbinge is een internationaal gerespecteerd agrowetenschapper. Hij bekleedde tal van – soms prestigieuze – functies binnen en buiten de wetenschap, bij instituten op het gebied van de wereldvoedselvoorziening. Zo werd hij een levend boegbeeld van ’Wageningen’ en van de succesvolle en vooroplopende Nederlandse agrosector. Dit najaar werd hij 65, reden om afscheid te nemen van Wageningen UR.

Heeft Nederland in het buitenland nog steeds die reputatie van vooroplopend landbouwland?
Rabbinge: ”Jazeker. In een land als China realiseert men zich dat de Nederlandse weg de enig mogelijke is. Ze hebben daar 8 procent van het wereldwijde areaal cultuurgrond en eenvijfde van de wereldbevolking. Dat red je alleen met hogere productie per oppervlakte. Dat is wat Nederland realiseert en daarom is Nederland zo aantrekkelijk voor de Chinezen.”

Is kennis exporteren wel slim? Straks halen ze ons in.
”Nee dat is niet zo, het houdt je juist scherp. We zitten in een race zonder finish, je moet altijd blijven hardlopen.”

Ziet u in die wedstrijd toekomst voor alle sectoren in de Nederlandse landbouw?
”Dat denk ik niet, maar ik noem altijd de kalvermesterij als positief voorbeeld. Vijftien jaar geleden zat die nog in het verdomhoekje, nu hebben we hier de marktleiders. Eerst mikte men in die sector op lage kosten en lage prijzen en daardoor ging men de dieren geweld aandoen. Dat is allemaal verdwenen. In sneltreintempo is de totale keten vernieuwd en op een hoger plan getild met beter voer, betere huisvesting, met tracking en tracing, geweldig! De varkenshouderij zou het ook zo moeten doen. Niet alleen voor de knallers en lage prijs en lage kosten gaan, maar ook kijken of ze andere segmenten kan bedienen.”

Vion mikt ook op conceptvlees, vlees met een ster.
”Tot voor kort zat Vion ook op die toer van schaal maken, kosten laag houden en de primaire producent uitknijpen Ze hebben nu een enorme ontwikkeling in andere richting meegemaakt, maar ik vind het rijkelijk laat. Met de visie van Alders en Van Doorn over verduurzaming van de sector ben ik het wel eens. Dat had twintig jaar geleden al gekund.”

Ziet u wel een blijvende toekomst voor intensieve veehouderij in Nederland?
”Als meer ingespeeld wordt op markt. Niet op die uit de klauwen gegroeide manier van nu. Het is toch raar dat het hele platteland volgezet wordt met schuren? In het verleden is altijd verkeerd met neveneffecten zoals het mestprobleem omgegaan. Eerst ontkennen, dan bagatelliseren, dan relativeren en als het echt niet anders kan, dan komen de draconische maatregelen. En wie zijn de dupe? De varkenshouders.”

Ziet u dat nu weer gebeuren?
”Ja, kijk naar Brabant. Boeren worden in de verdachtenhoek gestopt, bedrijfsontwikkeling wordt verboden. De megastal vindt men zo ongeveer het ergste wat je kunt hebben. Maar ik vind het een vorm van hypocrisie om tegen die schaalvergroting in te gaan. Geen productie van goedkoop vlees willen, maar het wel kopen. Ik heb een hekel aan hypocrisie.”

U noemt zichzelf ’vooruitgangsgelovige’. Wat bedoelt u daarmee?
”Ik heb nogal veel vertrouwen in het menselijk vernuft. Dat stelt ons in staat meer te doen met minder. Als ik begin jaren 70 had voorspeld dat een koe nu 9.000 liter melk per jaar geeft en dat je van een hectare 9 ton tarwe oogst, was ik voor gek verklaard. Nu is het gerealiseerd. Dat is economisch beter en milieukundig ook. Een paar voorbeelden: het probleem van de grondontsmetting hebben we opgelost, biologische bestrijding in kassen is volstrekt normaal geworden.”

Veel nieuwe ontwikkelingen worden eerst toegejuicht als vooruitgang, maar later komen de schaduwzijden aan het licht. Het nieuwste voorbeeld is het superonkruid in teeltgebieden van Roundup-ready soja.
”DDT was eerst een zegen. De uitvinder ervan kreeg de Nobelprijs. Maar men wist meteen al dat blindelings toepassen zeer onverstandig was. Daar werd al in jaren 50 tegen gewaarschuwd. Als je de biologie uitschakelt, ga je de verkeerde kant op. Af en toe corrigeren met bestrijdingsmiddelen is prima, maar het moet geen automatisme worden. Ik ben voorstander van wat ik noem ’ecologische geletterdheid’. Je moet anticiperen, niet alleen maar reageren. Je moet waarnemingen doen in je gewas, een zeker risico accepteren en alleen als het echt nodig is ingrijpen. Zo blijf je uit die spiraal van steesd meer middelen.”

Kan de vooruitgang altijd maar doorgaan? Is er niet ergens een fysieke grens aan het productievermogen?
”Uiteindelijk wel. We zijn nu bekend met de theoretische grens van de opbrengst van een gewas, en met de fysiologische karakteristieken van planten. Maar dat is deels ook weer een grens die je kunt verleggen. Zo zijn we bezig rijst te veranderen van een C3- in een C4-plant (ander koolstofmetabolisme, waardoor de fotosynthese efficiënter wordt, red.). Dat kan de opbrengst verhogen van 12 naar 15 ton per hectare. Maar in het grootste deel van de wereld is dat helemaal nog niet nodig, daar kampt men nog met een enorme yield gap (de kloof tussen theoretische en werkelijke opbrengst, red.). Dat moet eerst aangepakt.”

Er zijn meer mensen dan ooit te voren en ze hebben meer eten dan ooit. Uw stelling is dat Malthus, die zei dat bevolkingsgroei leidt tot honger en ellende, ongelijk heeft gekregen. Maar toch... zo kan toch niet altijd doorgaan?
”Je kunt zeggen: is het wenselijk? Nee, het is onwenselijk dat er zo veel meer mensen komen. We willen allemaal wat ruimte, we willen biodiversiteit behouden en dus is het niet verstandig die bevolking zo te laten groeien. Maar dat is een normatief beginsel, geen feit. Het is dan een geruststellende wetenschap dat de bevolkingsgroei altijd afneemt als de welvaart toeneemt. Dat zie je overal.
Ik hoor wel eens: jij bent een naïeve optimist, maar dat is niet waar. Ik kijk naar de feiten. Dat doemdenken en die crisissfeer die gecreëerd wordt, heb ik een verrekte hekel aan.”

Is dat een kwestie van karakter of van overtuiging?
”Ik heb gezien zie hoe geweldig veel beter het gaat dan vroeger. In 1950 kenden we hier nog voedseltekorten. Nu weet de gemiddelde Nederlander niet eens wat dat is.”

De doemdenker zal toch tegenwerpen: er zijn nu netto meer mensen die honger hebben dan ooit tevoren.
”Dat is ook een grof schandaal voor de mensheid, waar ik me verschrikkelijk druk over maak. Het is oneerlijk verdeeld en ontwikkelingen in andere landen worden tegengewerkt. Ik vind ook dat ontwikkelingssamenwerking zich daarop moet richten. Het gaat overigens niet alleen om productie. Het is vooral belangrijk dat instituties goed functioneren.”

Nederland geldt als voorbeeld voor een land als China. Wat kan Nederland van dat land leren?
”Chinezen zijn vooruitgangsgelovigen, geen doemdenkers. Daar kunnen wij wel wat aan hebben. Nederlanders praten zichzelf in de put, dat is erg onverstandig.”

U verzet zich tegen ’koekdenken’, zoals u het zelf eens noemde.
”Er zijn nogal wat van die duurzaamheidspredikanten die preken over doem en verderf, en dat we maar één aarde hebben en er vier opgebruiken. Dat vind ik een domme manier van redeneren. Natuurlijk hebben we maar één aarde, dat is een gegeven. Nou, zorg dan dat je die goed gebruikt. De perceptie van die doemdenkers deugt niet.”

Een ander onderwerp waar u fel over bent is biobrandstof. Dit jaar verscheen een speciaal rapport van het klimaatpanel IPCC, waaraan de Nederlandse onderzoeker André Faaij van Universiteit Utrecht meewerkte. Volgens hem kan bio-energie tientallen procenten bijdragen aan de energievoorziening, zonder de voedselvoorziening en de biodiversiteit te schaden.
”Ja dat verhaal ken ik maar die berekeningen deugen van geen kant. Ik ben daar heel streng in. Faaij heeft de basisprincipes van de primaire productie niet begrepen en hij extrapoleert er maar lustig op los. Het is één grote belazerij.”

Hij ziet veel in lignocellulose afkomstig van snel groeiende hout-achtige gewassen zoals wilg.
”Ja, ja, dat hoor ik overal. Maar waarom zijn wij van hout via turf en bruinkool naar gas gegaan? Omdat de energie-intensiteit groter werd. Moeten we nu weer terug? Het kan niet. Reststoffen dat is prima, en in Brazilië kun je iets met suikerriet, dat is een hoogproductief C4-gewas. Maar bij alle andere gewassen wordt het niks. Ook niet bij wilgen. De arealen die je nodig hebt om de behoeften te dekken zijn gigantisch. Dus, ik ben er heel rigoreus in, de basisgegevens van dat onderzoek deugen niet.”

Welke bijdrage kan bio-energie volgens u wél leveren?
”Ik ben voor cascadering. Biomassa gebruiken voor hoogwaardige toepassingen en wat er dan uiteindelijk overblijft eventueel gebruiken voor energie. Het aandeel daarvan in de totale energievoorziening kan nooit hoog worden. Maar daar is ook geen reden voor. Je moet de zon anders gebruiken. Met bio solar cells bijvoorbeeld, een efficiënt alternatief voor fotosynthese waar we hier aan werken.”

Waar ziet u met genoegen op terug? Wat heeft u bereikt?
”Vanuit de theoretische productie-ecologie denk ik dat ik een wezenlijke bijdrage heb geleverd aan de ontwikkeling van hoogproductieve, milieuvriendelijke landbouw. Precisielandbouw, geïntegreerde bestrijding, die dingen. Die worden nu wereldwijd toegepast.”

PvdA-coryfee heeft lidmaatschap opgezegd uit onvrede met partijcultuur
Het cv van Rudy Rabbinge (65) past bij lange na niet in dit kader. Sinds 2001 is hij in Wageningen universiteitshoogleraar, met als leeropdracht duurzame ontwikkeling en voedselzekerheid. Deze maand neemt hij afscheid. Hij begon als leraar, maar stapte in de jaren 70 over naar de wetenschap. In 1976 promoveerde hij. Rabbinge combineerde de wetenschap met maatschappelijke functies. Zo was hij onder meer lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Joop en Uyl vroeg hem minister te worden in zijn eerste kabinet, maar Rabbinge wou de wetenschap trouw blijven.

Wel maakte hij tijd voor een waslijst van adviseurs- en bestuursfuncties in binnen- en buitenland, allemaal op het gebied van landbouw en voedselvoorziening. Zo is hij onder meer actief bij de FAO en als speciaal adviseur van de Chinese academie voor landbouwwetenschappen.
Rabbinge ziet zichzelf in de eerste plaats als wetenschapper. ”Bestuur en politiek zijn secundair, dat doe ik vanuit maatschappelijke betrokkenheid. Daarom wou ik ook nooit Tweede Kamerlid, gedeputeerde of bewindspersoon worden.” Dat belette hem dus niet om een heel actief lid van de Partij van de Arbeid te zijn. Van 1999 tot 2007 was hij lid van de Eerste Kamer voor die partij, en van 1978 tot 1988 lid van Provinciale Staten in Gelderland.

Uit onvrede zegde de PvdA-coryfee eind vorig jaar zijn partijlidmaatschap op. ”Ik heb het er met mijn vrouw heel lang over gehad. Het was heel ingrijpend, net een scheiding. Ik heb een hekel gekregen aan de lamlendigheid in de partij en vooral aan de mannetjesmakerij. Ze zijn veel te veel met de eigen carrière bezig, en niet vanuit een ideaal. Dat ging mij tegenstaan. Het ging dus meer over de partijcultuur dan over een speciaal onderwerp, al vind ik wel dat ze veel strenger moeten zijn over de PVV. Die moet je niet salonfähig maken. Ik ben voor de beginselen. Ik hoop niet dat de consultants en carrièrelieden het beeld bepalen maar dat er een nieuwe generatie komt die het wel goed aanpakt.”

Rabbinge noemt zichzelf nog wel steeds aanhanger van het sociaal-democratische gedachtegoed. ”Ik stem er nog wel op want ik heb geen alternatief.” Dat de onvrede diep zit, blijkt uit het antwoord op de vraag of Ronald Plasterk, met zijn wetenschappelijke achtergrond, Rabbinge niet aanspreekt. ”Nou ja, Plasterk doet het nu wel wat beter maar als minister vond ik hem niet zo sterk. Dat geldt nog sterker voor Jacqueline Cramer. Die heeft voor het milieu niks geleverd. Ja, steenkolencentrales.”

Zie ook: 'IPCC-onderzoek biomassa deugt niet'

Foto

WUR

Of registreer je om te kunnen reageren.