Home

Achtergrond 220 x bekeken

Topteam Agro & Food wil uit de lade blijven

Het Topteam Agro & Food is ervan overtuigd dat de agro & food sector als groeimotor de Nederlandse economie stuwen. Daarvoor moeten zowel de sector zelf als overheid en kennisinstellingen verbindingen aangaan en vooral vraaggestuurd opereren.

Volgens de voorzitter van het topteam, algemeen directeur Cees ’t Hart van FrieslandCampina, zal het Topteam zich niet schuldig maken aan luchtfietserij. Het rapport zal de binnenkant van een lade wat ’t Hart betreft niet zien. “Alles wordt heel snel heel concreet. We jagen op elk concreet succes, groot of klein.”

Het topteam Agro & Food vraagt de Nederlandse overheid om een bijdrage van 150 miljoen euro voor kennis en innovatie. Het bedrijfsleven zelf verdubbelt in dat geval de huidige inspanningen van 75 miljoen euro tot ook 150 miljoen. Het uiteindelijke doel: de jaarlijkse toename van de toegevoegde waarde van de sector met 50 procent vergroten.

Het Topteam schept tijdens een perspresentatie op het hoofdkantoor van FrieslandCampina vooral het beeld van een ijzersterke sector, een beeld dat in getallen klopt, maar wellicht bij een gemiddelde varkenshouder of tuinder weinig weerklank vindt. De Agro & Food sector realiseert een jaaromzet van 48 miljard euro. Bijna 29 miljard komt voort uit de primaire productie, verwerkende industrie en toeleveranciers. De overige 19 miljard komt op het conto van de distributie, retail en horeca. De sector is goed voor circa 10 procent van de werkgelegenheid. Geen reden om op de lauweren te rusten, aldus 't Hart.

“Integendeel. Als sector moeten we op zoek naar groei, het liefst spectaculaire groei. Er zijn enorme kansen in binnen- en buitenland. De sector heeft de wind mee: de wereldbevolking groeit en heeft voeding nodig en kennis daarover.” De sector moet “meer met minder produceren door duurzame, innovatieve voedselsystemen.” Andere strategische kansen zijn volgens het topteam het creëren van een hogere toegevoegde waarde door focus op gezondheid, smaak, gemak en duurzaamheid en het beter benutten van internationaal leiderschap door export van producten en geïntegreerde systeemoplossingen.

Alles valt of staat überhaupt volgens de topman met maatschappelijk draagvlak, en nu net dit is een probleem. “De overheid, wetenschap, primaire sector, agribusiness en retail moet samenwerken om het draagvlak te vergroten.” Topteam-lid Noud Janssen, vice-voorzitter van LTO Nederland: “de sector zelf kan zich veel van het cynisme van burgers verwijten. De regeldruk is mede door de reactionaire houding van de sector enorm. De sector had dingen die echt niet kunnen, niet moeten verzinnen, en moeten werken aan maatschappelijk draagvlak voor zaken die burgers niet begrijpen, maar wel degelijk nodig zijn.”

Het exporteren van systeemoplossingen vindt 't Hart bijzonder belangrijk. De Nederlandse agribusiness zou zich volgens de ex-Unilever-man kunnen profileren als een BV. Nederland als keurmerk, waarbij Nederlandse bedrijven samen een totaaloplossing voor de klant aanbieden en geen deeloplossing apart. ’t Hart pleit voor een andere benadering van opkomende economieën als Rusland, India en China. “De sector moet meer pro-actief zijn, zich vóór een handelsreis bedenken: welke structurele problemen kent het land, en welke rol kunnen wij spelen bij het vinden van een systeemoplossing. Nu gaat het andersom, wordt vrijwel alleen gekeken naar wat het uitnodigende land zelf inbrengt. Als voorbeeld: bij de handelsreis die gepland staat naar Rusland hebben de Russen aangegeven meer samenwerking op sportgebied te willen. Goed, dat kun je dan regelen, maar je moet ook verder kijken dan die agenda. Het is op dit moment heel moeilijk als bedrijf eigenstandig aan tafel te schuiven bij een beslissingnemer in Rusland of China. Ik zeg wel eens: zelfs de burgemeester van een kleine plaats krijgt nog een betere ontvangst dan de directeur van één van de grootste Nederlandse bedrijven.”

Alle aandacht voor opkomende economieën ten spijt, zo’n 80 procent van de Nederlandse exportwaarde wordt gerealiseerd op EU-lidstaten, erkent ’t Hart. “De zogeheten Bric-landen zijn in exportwaarde nu niet belangrijker dan Italië. Daarom wil ik me ook duidelijk uitspreken als voorstander van een blijvende monetaire unie. Men moet niet denken dat het opheffen van de Eurozone een open economie als de onze geen pijn zal doen. Als ik kijk naar de aandacht in de media, dan valt het me tegen hoe weinig mensen denken aan de economische belangen, ons brood.” Dat de export naar Europese landen zo belangrijk is, geldt ook als risico, aldus Van Rijsingen. “De bevolking neemt in Europa niet toe, maar juist iets af. De inkomens zijn hoog maar worden niet snel hoger. Veel mensen zijn te dik en zouden eigenlijk minder moeten eten. Het is een krimpende markt, van de volumes moeten we het niet meer hebben. Enerzijds moet de toegevoegde waarde omhoog, anderzijds moet het Nederlandse bedrijfsleven nadrukkelijk op zoek naar nieuwe markten.” Janssen voegt eraan toe dat toegevoegde waarde ook kan zitten in reststromen. 't Hart vult aan met een voorbeeld van restjes die vrijkomen bij de productie van suikerbieten. “Het wordt nu als verstevigingsmiddel gebruikt bij de vervaardiging van hockeysticks.”

Het praten over wereldmarkt, het belang van wetenschappelijk fundamenteel onderzoek en verwaarden van reststromen lijkt ver van het boerenerf te staan. Toch is dit volgens Topteam-lid en rector magnificus Martin Kropff de primaire sector van groot belang. De meeste vindingen komen van kleinere tot middelgrote bedrijven. Wel noemt hij het van belang dat bedrijven ook in clusters samen aan innovatie doen. “Ik zie wel een kentering in de primaire sector. Vroeger was het mestdossier een probleem voor de sector. Nu werkt men met overheid en kennisinstellingen aan plannen voor mestverwerking.”De primaire sector kan volgens Kropff niet los worden gezien van verwerkende bedrijven of de wetenschap. “Voor iedereen is het primaire bedrijf de basis. Zonder primaire productie in Nederland is de driehoek bedrijfsleven, overheid, wetenschap onvolledig. Grote bedrijven hebben zonder productiebasis hier geen reden te blijven.”

Kropff noemt vraagondersteunend onderzoek als een pijler voor het realiseren van de doelstellingen van het Topteam. “Bedrijven vertellen mij: Cornell University is net zo vlakbij als Wageningen. Er is een voortdurende focus op nog beter onderwijs en onderzoek en nog betere verbindingen tussen wetenschap en bedrijfsleven noodzakelijk.” De overheid kan daarbij volgens Kropff meer betekenen. “Het is ronduit een financiële klap voor ons dat de extra opbrengsten uit aardgasbaten niet langer meer naar onderwijs en onderzoek gaat.”

Kropff wil dat de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek NWO voor het thema Agro & Food 30 miljoen euro per jaar beschikbaar stelt.

Foto

Of registreer je om te kunnen reageren.