Home

Achtergrond 660 x bekeken

Omgeving helpt bij afzet land- en tuinbouw

De afzet van land- en tuinbouwproducten is voor Nederland van levensbelang. Meer dan de helft van de Nederlandse productie gaat de grens over en levert daardoor een substantiële bijdrage aan de BV Nederland. De afzet is in de afgelopen decennia gegroeid, maar de vraag is of er grenzen zijn aan de groei. Kan Nederland een bijdrage leveren aan de toenemende vraag uit landen als China en India? Of zullen binnenlandse beperkingen de groei afremmen?

Nederland speelt een belangrijke rol als leverancier van land- en tuinbouwproducten in de wereld. Is dat een kwestie van bijzondere handelsgeest, heeft het te maken met de kennis van de veredeling of speelt de combinatie van geschikte grond, gelegen in een zeeklimaat een bepalende rol?
Alles speelt mee bij de afzet. Maar bepalend is misschien wel de bijzondere ligging aan zee, met schone zeelucht in een klimaat met weinig ziektedruk, goede havens, en een economisch sterk achterland in de vorm van een steeds uitbreidende Europese Unie.

De Nederlandse boer en tuinder heeft niet altijd zo’n groot afzetgebied gehad. De vorige generatie boeren en tuinders leverde nog aardappels uit de kuil aan afnemers uit de omgeving, stapelde trays met eieren in een eierkist die werd opgehaald door de coöperatie, of zette groente en fruit af bij de dichtstbijzijnde veiling en leverde melk in bussen aan de plaatselijke zuivelfabriek.

Eigenlijk was de afnemer van de ondernemer te vinden binnen een straal van pakweg twintig kilometer. Nu kan de vandaag geoogste paprika geconditioneerd worden verscheept om over twee weken in een Amerikaanse groentezaak te liggen en gaat de melk met tankwagens naar een zuivelverwerker waarvan de melkveehouder soms niet eens weet waar die is.

Kees de Bont van het landbouw-economisch kenniscentrum LEI van Wageningen UR herinnert zich hoe in de jaren 50 de afzet geregeld was. ”Onze eieren gingen naar de eiermijn in Roermond. De uitbetaling ging toen nog handje-contantje. Melk werd elke dag opgehaald en aan het eind van de week kwam iemand met een bruine envelop met het melkgeld.” Dat was in een tijd dat de afzet er nog heel anders uitzag. De Bont: ”Vanuit de Tweede Wereldoorlog was het beleid gericht op het creëren van aanbod – voldoende voedsel. Er was geen overschot op de markt. Nu zitten we in een periode dat de klant koning is en er steeds meer eisen worden gesteld aan de productie.”

Er zijn veel factoren die in de loop van de tijd de afzet hebben beïnvloed. De mogelijkheid om producten langer te bewaren is er een van. De melktanks op elk melkveebedrijf zijn daarvan een voorbeeld, net als de geïsoleerde schuren waarin aardappels vorstvrij bewaard kunnen worden en de gekoelde vrachtwagens die transport van groente en fruit, maar ook van vlees en vleeswaren over langere afstanden mogelijk maken.

Andere factor van betekenis is de politieke omgeving. Was vlak na de oorlog de Nederlandse markt nog afgeschermd, met de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap ging een grote markt voor Nederland open. ”Elke uitbreiding heeft ons weer voordeel opgeleverd. We praten nu wel over de gevolgen van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, maar dat is klein geld ten opzichte van de exportrevenuen die we hebben”, zegt De Bont. Bij die export gaat het immers om miljarden euro’s per jaar, bij de herziening van het landbouwbeleid om enkele tientallen miljoenen euro’s op jaarbasis.

Schaalvergroting – bij voorbeeld in de retail – heeft ook grote effecten gehad op de afzet. Eigenlijk heeft die concentratie van inkopers de werking van de veilingklok ondermijnd. De tuinbouw is nog steeds zoekende naar de juiste afzetvorm. ”Je ziet daar veel versnippering”, zegt LEI-onderzoeker Jan Bolhuis. ”Er stapt een groep uit die dan weer een eigen organisatie opzet.”

Bolhuis denkt dat een aantal sectoren in Nederland tegen de grenzen van het haalbare loopt, bijvoorbeeld door de milieuregels, maar ook door de markt. ”We zien al een paar jaar in de varkenshouderij dat er te veel producenten zijn, die te weinig rendement halen. Daar moet een keer een krimp komen.” Maar De Bont wil niet te veel somberen: ”Het is iedere keer weer een verrassing hoe een sector zich ontwikkelt. Waarom moet die krimp in Nederland plaatshebben en niet ergens anders?”

Misschien bieden markten in China of India in de komende decennia mogelijkheden voor bijvoorbeeld de varkensexport, denken De Bont en Bolhuis. ”Maar de groei is alleen maar mogelijk als het mestprobleem wordt opgelost.” De Bont ziet risico’s in intensivering en schaalvergroting – ook in de glastuinbouw ”Je kunt je afvragen of we niet over de top gegaan zijn, qua financiering in de niet grondgebonden sectoren, met een enorme schaalvergroting en lage marges. Daar zit een risico. De vraag is of de intensieve veehouderij en de glastuinbouw het vol kunnen blijven houden.”
Als het gaat om de afzet van voedingsproducten is Europa wel ongeveer verzadigd. Wil de Nederlandse tuinbouw op dat punt groeien, dan moeten afzetmogelijkheden buiten Europa worden gevonden – zoals China of India. Er is ook nog potentieel in de afzet van luxere producten binnen de EU, bijvoorbeeld de sierteelt. Zeker in die sector is er volgens de LEI-onderzoekers nog voldoende extra ruimte, zonder dat de markt overloopt. Boeren en tuinders zijn de afgelopen decennia flexibel geweest in het vinden van nieuwe mogelijkheden: de overstap naar een andere tak is vaak kleiner dan wordt verondersteld.

En als er dan toch één sector genoemd moet worden die zich in de afgelopen decennia bijzonder ontwikkelde, is het kalversector, zegt Bolhuis. Die heeft de vraag naar witvlees in Duitsland, Italië en Frankrijk weten te benutten met de ontwikkeling van een keten die zijn weerga in de landbouw niet kent.


De veilingklok

De veilingklok heeft jarenlang een bepalende rol gespeeld in de prijsvorming voor de Nederlandse land- en tuinbouw. De klok kon uitstekend zijn werk doen, toen er nog veel aanbieders en veel afnemers waren. Maar met de centralisatie van de inkoop voor de Nederlandse supermarkten, kwam het marktinstrument steeds meer onder druk te staan. Het grootwinkelbedrijf wilde liever rechtstreeks zaken doen met tuinders en handelaren en niet afhankelijk zijn van de grillen van de markt, die mede werd bepaald door factoren waarop ze zelf geen invloed hadden. De afzet ging meer en meer buiten de veiling om, waardoor de klok na meer dan een eeuw gefunctioneerd te hebben uiteindelijk als marktinstrument praktisch nutteloos werd.


Frau Antje heet eigenlijk Ellen, Emilie, Mendy of Kitty

Eigenlijk heet ze Ellen, Emilie, Mendy of Kitty, maar in Duitsland kennen generaties haar als Frau Antje. Gestoken in oer-Hollandse klompen en klederdracht prijst Frau Antje al een halve eeuw de Nederlandse zuivel aan bij de oosterburen.

Ze is in 1961 geboren als geestelijk kind van Hans Willemse, de in 1998 overleden directeur van het Nederlands Zuivelbureau in Duitsland. Zij personifieerde de collectieve promotie van de Nederlandse zuivel in Duitsland.

Het symbool Frau Antje staat inmiddels voor veel meer dan de Nederlandse zuivel. Sophie Elpers van het Meertens Instituut deed een studie naar het fenomeen. Zij concludeert dat Frau Antje in Duitsland al lang niet meer alleen staat voor de Nederlandse zuivel. Eigenlijk associeert de Duitser haar met alle land- en tuinbouwproducten. Sterker nog, zij is een soort ambassadeur voor het gehele land.

Antje verscheen – in de persoon van Kitty Jansen – in 1961 voor het eerst op de Duitse televisie. Frau Antje werd zo populair dat ze in 1973 door bondskanselier Willy Brandt op een receptie hartelijk werd ontvangen: ”Antje, schön dass du da bist!” De zuivelambassadrice kon vervolgens de rij wachtende gasten passeren om even met de prominenten te ’plaudern’. Met de Nederlandse kaas in handen, verscheen Antje samen met Brandt in de media.

Kortstondig is geprobeerd Antje ook in te zetten bij de promotie van groente en fruit, maar die combinatie van taken bleek niet bestendig.

Foto

Of registreer je om te kunnen reageren.