Home

Achtergrond 230 x bekeken

Nederland oogst niets dan lof uit het grote buurland

Duitsland is de grootste afzetmarkt voor Nederlandse agrarische producten. Maar de Duitsers produceren zelf ook steeds meer, geïnspireerd door het Nederlandse ondernemerschap. ”Duitse boeren kijken met bewondering én zorg naar Nederland.”

Voor 1986 waren Nederland en Duitsland grote handelspartners en nu, 25 jaar later, zijn de landen het nog steeds. En bovendien eerder in grotere dan in mindere mate. Daarvan getuigen de statistieken en rapporten over de betrekkingen van instanties als het CBS, de ministeries in beide landen en bijvoorbeeld ook de Westfaalse Wilhelms-Universiteit in Münster, de universiteit die het Zentrum für Niederlande-Studien herbergt.

Onder de titel Das Deutsch-Niederländische Agrobusiness vertelt dit instituut een verhaal dat bol staat van de superlatieven. ”Volgens van experts is het handelsvolume binnen een grensregio alleen tussen Canada en de USA groter dan tussen Nederland en Duitsland”, zo heet het in de inleidende zin al.

En goed nieuws voor iedereen die van de agribusiness moet leven: ”Daarbij is zowel uit Nederlands als Duits perspectief de internationale handel in de landbouw- en voedingssector van groeiende betekenis voor het ontstaan van steeds groter wordende en toenemend wereldwijd werkende bedrijven.”

Kortom, in Münster winden ze er geen doekjes om, Nederland en Duitsland betekenen wat voor elkaar, ook de boeren en de verwerkende industrie. Of de gewone burger dat ook allemaal beseft, valt te betwijfelen en is in feite ook irrelevant, afgezien daarvan dat het moeilijk is na te gaan.

Van LTO’s zusterorganisatie Deutscher Bauernverband (DBV) echter niets dan lof voor de Nederlandse sector. ”In staat tot prestaties, succesvol en effectief”, oordeelt vice-bestuurstopman Werner Hilse, tevens voorzitter van de Nedersaksische DBV-bond Landvolk. Dat klinkt mooi, maar wel een beetje diplomatiek.

Genuanceerder is hoofdredacteur Ludger Schulze Pals van het onafhankelijke boerenmagazine Top-Agrar. ”De Duitse boeren kijken zowel met bewondering als zorg naar de Nederlandse landbouw. Ze bewonderen hun collega’s aan de andere kant van de grens voor hun ondernemende geest en hun economische succes. Daarvan hebben we het een en ander afgekeken, bijvoorbeeld hoe men de productie professionaliseert en met succes exportmarkten ontwikkelt.”

Als voorbeeld noemt Schulze Pals varkensvlees. ”Binnen anderhalf decennium is ook Duitsland uitgegroeid van netto-importeur tot netto-exporteur. Daaruit is intussen zelfs een Duits-Nederlandse arbeidsverdeling voortgekomen. De Nederlanders produceren de biggen en de Duitsers mesten ze. Vergelijkbare ontwikkelingen zijn er ook te zien in de zuivelsector of in de groenteteelt. Dat toont aan hoe nauw de hele agribusiness van beide landen met elkaar verbonden is geraakt. Veel ondernemingen zijn aan beide kanten van de grens actief en in de leidende organen werken Nederlanders en Duitsers zij aan zij”, schetst Schulze Pals de verhoudingen.

Prominent aanwezig op de Duitse zuivelmarkt is bijvoorbeeld FrieslandCampina, niet alleen als verkopend bedrijf maar ook als coöperatieve verwerker met Duitse leden-leveranciers. Vleesconcern Vion volgde het spoor en kocht achtereenvolgens Moksel, Nordfleisch en Südfleisch. Na Tönnies is Vion de grootste varkensslachter in de Bondsrepubliek. Omgekeerd is de nummer drie op de slachterijconcernranglijst, Westfleisch, voor veel Nederlandse varkenshouders een belangrijke afnemer.

Zo gezien zijn de Duits-Nederlandse landbouwbetrekkingen allang geen kwestie meer van alleen maar afzet van komkommers, eieren en kaas. Niet dat dit allemaal niet belangrijk meer zou zijn. Neem het product kaas. Ook vorig jaar was de Nederlandse zuivelsector weer de veruit grootste kaasexporteur op de Duitse markt met een aandeel van 38 procent. Frau Antje kan kennelijk gewoon niet stuk, ondanks (of juist door) het wat belegen karakter van deze dame, die inmiddels al vijftig jaar op de teller heeft.

Het Wasserbomben-verhaal dat een aantal jaren geleden in de Duitse boulevard-pers afbreuk deed aan het Nederlandse kwaliteitsimago mag dan voor opschudding hebben gezorgd, maar dit is ondertussen allang weer nagenoeg vergeten historie.

De zorg dan wel de wat gefronste wenkbrauwen hangen samen met het gegeven dat er ondanks de intensieve samenwerking ook wel degelijk sprake is van onderlinge concurrentie tussen Nederland en Duitsland. Daar doet zich echter naar de mening van Schulze Pals een mentaliteitsverschil voor, dat vooral tot uitdrukking komt in de manier waarop op nieuwe kansen wordt gereageerd.

De Duitse boer is bedachtzamer, gelooft Schulze Pals. ”De Duitse Eenheid levert daarvoor een goed voorbeeld op. Toen zich in 1990 in het Oosten van de ene op de andere dag mogelijkheden voordeden om de landbouw van een complete regio weer nieuw op te bouwen, waren het onder meer Nederlandse boeren die dat tijdig hebben ingezien. Ze verkochten huis en bedrijf en startten een nieuw leven in de voormalige DDR. De Duitse mentaliteit is dan anders. We wegen de voor- en nadelen sterker af, voordat we zulke diep ingrijpende beslissingen nemen.”

Nog een verschil tussen Nederlandse en Duitse land- en tuinbouwondernemers volgens Schulze Pals: de inzet van vreemd vermogen ofwel kredieten. ”Bekeken met Duitse ogen hebben Nederlandse bedrijven soms een adembenemende schuldenlast. Wij zijn op dat punt voorzichtiger en denken bij twijfel langer na, voordat we een investering doen. Dat kost tijd, maar verlaagt misschien het risico, dat je verkeerde besluiten neemt.”

Foto

Of registreer je om te kunnen reageren.