Home

Achtergrond 269 x bekeken

Glans van de groene lobby verbleekt

Het succes van de belangenbehartiging heeft zich tegen de land- en tuinbouw gekeerd. Aan het eind van de jaren 60 kreeg de groene lobby louter lof, de glans is er nu wel een beetje af.

Vanaf de jaren 80 werden boeren en tuinders geassocieerd met mestproblemen, voedselschandalen, milieuvervuiling en epidemische dierziekten. Waar agrarisch ondernemers in het verleden in staat waren hun eigen broek op te houden, begon de maatschappij zich opeens te bemoeien met wat er op het erf gebeurde.

De standsorganisaties hebben de afgelopen kwart eeuw een metamorfose ondergaan. In 1986, toen het Agrarisch Dagblad werd opgericht, kende elke provincie nog haar eigen standsorganisaties – soms waren het er wel drie: een katholieke (Aartsdiocesane Boeren en Tuinders Bond of Noord-Brabantse Christelijke Boerenbond en Christelijke Boeren en Tuinders Bond en een liberale organisatie (bij voorbeeld Gelderse Maatschappij van Landbouw of Friese Mij).

De provinciale standsorganisaties vormden een broedkamer voor belangenbehartigers op landelijke schaal. En de lijnen met de politiek – vooral naar de christelijke partijen – waren kort, waardoor ook de invloed in Den Haag aanzienlijk was.

Hoe nauw de contacten waren, beschrijven Pieter Gerrit Kroeger en Jaap Stam in hun onderzoek naar het CDA, dat in 1998 werd gepubliceerd. Toen in het partijbestuur van de Anti Revolutionaire Partij (een van de voorgangers van het huidige CDA) in het begin van de jaren 70 een nieuw lid moest worden benoemd, zei bestuurslid Jan de Koning (zelf voormalig secretaris van de Christelijke Boeren en Tuinders Bond, CBTB) tegen Piet Bukman: ”Daar moet een boer in, dat zou wel wat voor jou wezen.” Zo werd Bukmans zetel in het partijbestuur gereserveerd.

Bukman was zelf ook afkomstig uit de CBTB , de nauwe lijn tussen de politieke partij en de boerenorganisatie bleef in stand. Bukman is een voorbeeld uit de protestante hoek. Maar ook vanuit katholieke kringen was de doorstroming vanuit de landbouworganisaties in Den Haag van belang.

KVP-lijsttrekker Pierre Lardinois combineerde in 1967 de functie van voorzitter van de Noord-Brabantse Christelijke Boerenbond met die van vice-voorzitter van de raad van toezicht van de Cóoperatieve Centrale Boerenleenbank (nu Rabobank) en het lidmaatschap van de Tweede Kamer.

Lardinois had toen al een veelbelovende carrière bij het ministerie van landbouw achter de rug, uitmondend in de functie van landbouwattaché voor Nederland in het Verenigd Koninkrijk.
De verbindingen tussen de standsorganisaties waren er op landelijk, provinciaal en plaatselijk niveau. Bestuursleden van lokale landbouworganisaties vormden ook binnen de gemeenten een belangrijke groep potentiële lokale politici.

Die nauwe verbondenheid tussen landbouworganisaties en politiek heeft er ook toe geleid dat de land- en tuinbouw lange tijd goed in staat was de eigen zaakjes te regelen. Als het enigszins kon, werden buitenstaanders geweerd, en als het niet anders kon werden buitenstaanders gezocht van wie weinig weerstand werd verwacht.

In de periode dat de land- en tuinbouw nog in grote mate afhankelijk waren van het Europese landbouwbeleid en Nederland binnen de Europese Unie een belangrijke stem had, was het vanuit het perspectief van de belangenbehartigers ook belangrijk om in Den Haag vlak bij het vuur te zitten. Toenmalig landbouwminister Braks had in de jaren 80 regelmatig overleg met de voormannen (het waren bijna nooit vrouwen) van de landbouworganisaties, voordat hij zijn standpunt bepaalde dat hij in Brussel ging innemen.

De landbouworganisaties richtten zich toen heel nadrukkelijk op de politiek. Hoewel de invloed vanuit ’Den Haag’ en ’Brussel’ op het erf van de boer en tuinder ondertussen – zeker als het gaat om regeldruk – is toegenomen, is de agrarisch ondernemer voor zijn inkomen veel minder afhankelijk van Brussel. En dat heeft ook een kentering te weeg gebracht in de manier waarop de belangenbehartiging zich organiseert. Daar speelt nog doorheen dat het aantal agrarisch ondernemers sterk daalt, de professionaliteit toeneemt en de belangenbehartiging verzakelijkt. Dat heeft meegespeeld bij de fusies tussen de verschillende organisaties in de loop der jaren.

Het belang van de markt is in Noord-Brabant al van oudsher onderkend. De Noord-Brabantse Christelijke Boerenbond heeft zich een belangrijke positie in de markt verwordven door al vroeg te beginnen financiële belangen te nemen in alle sectoren die er voor de land- en tuinbouw toe doen. De Rabobank, verzekeraar Interpolis, voedingsbedrijf Vion – het zijn maar enkele voorbeelden van bedrijven die hun oorsprong deels hebben in de Brabantse land- en tuinbouw.

De koers van de belangenbehartiging is in de loop der tijden verlegd. De boer verdient zijn inkomen niet in Brussel of Den Haag, maar op de markt. Dan moet je daar ook zijn om de belangen te behartigen van je leden. Niet voor niets steken de belangenbehartigers nu onder meer energie in de mogelijkheiden de marktmacht van boeren en tuinders te versterken. De rol van de Nederlandse Mededingingsautoriteit staat daarbij nadrukkelijk ter discussie.

Tegelijk leggen agrarisch ondernemers meer en nadrukkelijker dan in het recente verleden verbindingen met de maatschappij. Hans Huijbers, voorzitter van de Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie, ging daar in de ogen van zijn achterban wel heel ver in, door het gesprek aan te gaan met de gezworen vijand Wakker Dier. Het is de voorbode van nieuwe coalities, waarin belangen van boeren en tuinders samen vallen met die van andere belangengroepen.

Foto

Of registreer je om te kunnen reageren.