Home

Achtergrond 228 x bekeken

GLB raakt klem tussen boeren, Brussel en VS

Het Europese landbouwbeleid dreigde onbetaalbaar te worden en ook onverkoopbaar aan de burger. Toch wilde dat beeld moeilijk landen bij de boeren. Structurele veranderingen bleven daardoor uit.

De gebeten hond voor de Europese boeren was in 1986 ongetwijfeld Europees landbouwcommissaris Frans Andriessen. Hij hamerde er voortdurend op dat het Europese landbouwbeleid (GLB) ingrijpend moest worden hervormd. Hij wilde van een systeem van (pro-duct)prijsondersteuning naar een systeem van inkomenssteun. Daarmee was hij voorlopig een roepende in de woestijn, want pas onder zijn veel latere opvolger Franz Fischler kreeg zoiets zijn beslag.

Andriessen benadrukte keer op keer dat het zo niet langer kon, die enorme, gesubsidieerde overschotproductie in de Europese landbouw. Het was volstrekt niet meer aan de burger uit te leggen dat het overgrote deel van de Europese uitgaven opging aan landbouwsteun en dat die gelden dan ook nog vooral werden gebruikt voor het uit de markt nemen van een product waar de Europese consument geen behoefte aan had.

Het was een boodschap die met tegenzin werd aangehoord. Door de boeren, maar ook door de ministers van landbouw van de lidstaten. Als hen op de man af werd gevraagd wat ze vonden van Andriessens analyse, was het antwoord dat de Eurocommissaris wel gelijk had en dat ander beleid nodig was. Maar als het aankwam op daden, gaven ze vaak niet thuis. In de Europese landbouwraad blokkeerden ze al te vergaande wijzigingsvoorstellen van Andriessen. Niet helemaal onbegrijpelijk, want beleidsaanpassingen waren bijzonder impopulair bij boeren.

In 1986 hadden de melkveehouders de als traumatisch ervaren invoering van de quotering met bijbehorende superheffing (1984) nog maar nauwelijks verwerkt. In die situatie zaten ze niet te wachten op een verdere aanscherping van het beleid. Toch moest in 1986 worden besloten tot een verdere krimp van de productiequota en het schrappen van latente productieruimte (afschaffing verevening). Andriessen vond toen nog steeds dat de zuivel ’in de watten’ werd gelegd. Ook de graantelers werd de wacht aangezegd. Om de sterk toenemende overschotproductie daar aan te pakken, kwamen een ’medeverantwoordelijkheidsheffing’ (voor de overproductie) en verplichte braak in beeld. Een quotering zoals in de zuivel kwam er niet. Ook de rundveehouders kregen te maken met beperkingen. Bij hen moesten de dierpremies en de restituties worden aangepakt.

Het waren ad-hocmaatregelen. De eerste echte hervorming van het GLB kwam pas van de grond onder Andriessens opvolger, de Ier Ray Mac Sharry in 1992. Boerenvoormannen in Nederland en elders in de EU waren bang dat ingrijpen in de landbouwsteun rampspoed zou brengen in de landbouw. Joris Schouten waarschuwde voor een terugkeer van de honger, anderen, zoals Groninger Jans Leeuwma, voorzagen dat boeren aan de bedelstaf zouden geraken en weer anderen vreesden het verlies van markten aan de VS.

Dat laatste was ook precies Andriessens grootste zorg. Hij stond onder grote druk van zijn collega’s in de Europese Commissie om de landbouwuitgaven in de hand te krijgen en vervolgens te beperken. Te meer omdat Spanje en Portugal eind 1986 ook tot de EU zouden toetreden. Andriessen zag zich echter ook verwikkeld in een agrarische handelsoorlog met de VS. Daarbij ging het erom wie het eerst zou inbinden bij het subsidiëren van de export en wie markten zou verliezen aan de ander.

Het Europees Parlement was al het geruzie over het landbouwbeleid en het gebrek aan besluitvorming zo beu dat het besloot om de Europese begroting voor 1987 te verwerpen. Het was ook het enige machtsmiddel van het EP over de landbouw, want het had nog geen formele medezeggenschap over het landbouwbeleid, maar het was wel een effectief middel. Zonder goedgekeurde begroting kon de Europese Commissie geen uitgaven meer verrichten.

Op de valreep van 1986 kwam de Europese landbouwraad toch nog met concrete besluiten. Zowel de melkveehouderij als de akkerbouw en de rundvleessector moesten inleveren, maar het waren maatregelen die werden genomen met de kaasschaaf. Iedereen moest het doen met een beetje minder steun en minder productiemogelijkheden. Zo bleef het nog een reeks jaren gaan, tot in 1992. Toen kwam er naast de melkquotering een systeem van hectaretoeslagen en dierpremies, waarbij het aantal subsidiabele hectares en dierpremies ook werd geplafonneerd.

Foto

Of registreer je om te kunnen reageren.