Home

Achtergrond 765 x bekeken

Boerderij energiebron met hindernissen

Energieproductie op het boerenbedrijf is een trend van de laatste jaren. Een van de pioniers is Henk Bosma. Het enthousiasme van toen is getemperd. ”Ik zou er nu niet meer aan beginnen.”

Het agrarisch bedrijf als energieproductielocatie. Deze droom uit de jaren 80 kreeg eindelijk vorm na 2000, dankzij stimuleringsbeleid van de overheid. Er was altijd gedoe en het geklaag over de vorm van de subsidieregelingen en de hoogte van de vergoedingen was niet van de lucht. Toch maakte de regeling MEP biogasproductie uit mest en restproducten mogelijk. De eerste vergistingsinstallatie op boerenerf ging in 2002 van start bij maatschap Bosma in het Drentse Zuidvelde. Verrassend genoeg een akkerbouwbedrijf, dat de benodigde mest én de meeste coproducten moest aanvoeren van elders.

Ondernemer Henk Bosma zag het helemaal zitten, destijds. En zijn omgeving ook. Enkele jaren na de start kwam er een eerste uitbreiding. De burgemeester opende de gegroeide installatie feestelijk door er een fles champagne tegenaan te gooien. Iedereen was blij. Er gloorde een nieuwe poot onder het agrarisch bedrijf met bijna alleen maar voordelen: duurzame energieproductie, goodwill voor de sector, financiële risicospreiding voor bedrijven, verantwoorde verwerking van restproducten en ook nog eens goede kans op oplossing van het mestprobleem.

Nederlandse energie-ondernemers keken nog wel wat jaloers naar Duitsland. Daar was dankzij een veel ruimhartiger ondersteuning een veel sterkere groei op gang gekomen. In tien jaar tijd is daar het aantal biovergisters gegroeid naar 7.000 stuks. Nederland telt nu 120 vergisters op 90 boerenbedrijven. Of er nog groei in zit, is zeer de vraag. Schattingen van onder meer DLV dat er plaats zou zijn voor 1.500 vergisters op boerenbedrijven, bleken veel te hoog.

Ook Henk Bosma blaakte van het optimisme, tot een paar jaar geleden. Zijn installatie breidde hij verschillende keren uit. Het opgesteld vermogen is gegroeid van 85 kilowatt naar 1 megawatt, waarmee hij ongeveer op het gemiddelde zit van de Nederlandse vergisters. Hij had het creatieve plan om zelf ethanol te produceren uit agrarische reststromen. In Zuid-Duitsland tikte Bosma een destilleerinstallatie op de kop en haalde die zelf in onderdelen naar Drenthe. In Beieren is een traditie van relatief kleinschalige ethanolproductie vanuit de fruitsector.

Voor de productie van ethanol is warmte nodig, en dat is er dankzij de vergister genoeg. De restproducten uit de ethanolfabriek zijn weer mooie grondstof voor de vergister. Zo zouden beide vormen van energieproductie elkaar mooi aanvullen.

De stemming is nu flink veranderd. De vergister draait al drie jaar op slechts 10 procent van zijn vermogen. Reden: de grondstoffen zijn te duur. Bosma: ”Wij kopen geen producten voor de vergister. Dat is altijd mijn uitgangspunt geweest.” Toen hij begon, kreeg hij gratis energierijk substraat, zoals gras uit natuurgebieden, onverkoopbare uien of aardappelen, en bietenstaarten van de suikerfabriek. Maar de tijden zijn veranderd. Er is een vergistingsindustrie ontstaan. De Duitse markt trekt, op de Nederlandse markt is de concurrentie gegroeid doordat niet alleen boeren maar ook de agro-industrie vergisters gingen bouwen. Als gevolg veranderde wat eens gratis ’afval’ was in een gewilde en dure grondstof.

Bosma: ”Ik wil niet betalen voor het substraat. Als je een product koopt en er gaat iets mis met je vergistingsproces, dan moet je wel heel veel compenseren.” Belangrijke factor is ook dat de mineralen in het substraat tegenwoordig gewoon meetellen in de mestboekhouding. Bosma redeneert dat het digestaat momenteel bijna net zo duur is als mestafvoer. Daar gaat de winst dus voor hem als akkerbouwer. Hij heeft een akkerbouwbedrijf van 450 hectare.

Een andere les die hij geleerd heeft, gaat over de techniek. ”De eerste drie jaar ging het goed. Maar daarna kwam toch de slijtage. En sneller dan verwacht. Dan komen de storingen.”

Alleen in combinatie met de ethanolproductie ziet Bosma financieel nog heil in biogasproductie. Maar de ingebruikname van zijn ethanolfabriekje blijkt een moeizaam proces. Bosma is al zes jaar bezig om het geaccepteerd te krijgen bij de gemeente. Technisch is de zaak klaar om te draaien, vertelt hij, en vergunningtechnisch ook. Maar de gemeente ziet veel apen en beren. Dit najaar wil hij alsnog starten. Dan maar een conflict met de gemeente. ”We zullen het wel zien. Volgens mij heb ik alles voor elkaar met de vergunningen, maar je weet het nooit.”

”Als ik kon kiezen, zou ik nu niet meer met vergisting beginnen”, concludeert Bosma openhartig. Belangrijke factor is de bureaucratie, waar hij van gruwt. ”Iedereen wil graag energie, maar niemand wil het in de achtertuin. En de regelzucht en de achterdocht van de ambtenarij is vreselijk. Ze behandelen je alsof je een crimineel bent. AID, VWA, steeds die controles, ze proberen je allemaal heffingen op te leggen.” Geen een gunstig klimaat dus voor energieboeren. Bosma: ”Ik denk niet dat er nog veel vergisters bijkomen.”

Foto

Of registreer je om te kunnen reageren.