Home

Achtergrond 164 x bekeken

Onduidelijkheid over procedure vrijgave Moerdijk irriteert

Had het allemaal niet veel sneller gekund? Die vraag leeft intens bij de telers in het gebied rond Moerdijk, waar alle beperkingen op oogsten en distribueren pas vorige week zijn opgeheven. De (indirecte) schade na de ramp blijkt enorm. Net als de hoeveelheid vragen die er leven over het onderzoek naar aanwezigheid van schadelijke stoffen.

De onrust onder vollegrondstelers blijkt direct na de ramp al groot, als de Veiligheidsregio’s Zuid-Holland-Zuid en Midden- en West-Brabant communiceren dat het eten van groenten uit eigen tuin binnen een straal van 65 kilometer rondom Moerdijk ten sterkste wordt afgeraden.

Neergeslagen roetdeeltjes zouden schadelijk kunnen zijn, onderzoek moet uitwijzen hoe gevaarlijk.
Tot op dit moment blijven veel vragen onbeantwoord. Wat zat er in de gifwolk? Is er op de juiste stoffen getest? Hadden er geen intensieve bodemmonsters genomen moeten worden? En heeft het RIVM zijn werk wel goed gedaan?

De eerste dagen na de ramp blijft het rondom deze onderwerpen stil, zowel vanuit overheidswege als bij partijen die betrokken zijn bij de distributie en verkoop van spruiten. De onzekerheid over de ontwikkeling in de markt is duidelijk voelbaar. Spruiten uit het gebied worden inmiddels angstvallig uit het handelskanaal geweerd.

Precies een week na de brand bij Chemie-Pack, op 12 januari, stuurt het Productschap Tuinbouw (PT) namens de achterban een brief aan minister Schippers van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), die ’regie’ voert in de kwestie. In die brief klinkt zorg door. ”Na een week van voortdurende onduidelijkheid ontstaat er onrust”, aldus een citaat uit de brief.

Die zorg heeft alles te maken met de gevolgen voor betrokken telers en hun product dat op dat moment staat te verpieteren op de velden. Er klinkt ook kritiek door in de brief over de communicatie vanuit de overheid. ”Naar onze mening geeft de huidige communicatie van de overheid (…) niet de gewenste duidelijkheid voor de sector om concreet acties te ondernemen en dus de voedselveiligheid te garanderen.”

Onduidelijkheid is er over de omvang van het effectgebied. Waar loopt de bijvoorbeeld grens van de verschillende zones? Onduidelijkheid bestaat er ook over verantwoordelijkheden. Want welke overheidspartij communiceert wat? Volgens het PT is het de Voedsel en Warenautoriteit (VWA) die met een duidelijk advies aan telers moet komen. Op moment dat de brief van het PT de deur uitgaat is immers nog onduidelijk wat er met het product in het getroffen gebied moet gebeuren.

Onduidelijkheid is er ook als het gaat om de tijd die nodig is om met onderzoeksgegevens naar buiten te komen. Monstername kan snel gaan, ontdekte spruitenteler Koos Dekker, die na foutieve informatie in een rapport van het RIVM over monstername aan de bel trok. Binnen drie dagen had hij de uitslag van zijn onderzoek terug. Uitslag: geen bijzonderheden. ”Het RIVM doet er drie weken over om tot die conclusie te komen, dan zit er iemand die geen beslissing durft te nemen”, aldus Dekker.

Een slordigheid in het rapport van het RIVM kwam de teler duur te staan. Zijn perceel werd ten onrechte genoemd. Ook al viel hij formeel buiten de 10-kilometerzone, zijn afnemer wilde zijn product niet hebben. Hij schat zijn schade op 200.000 euro, 10 procent van zijn jaaromzet.

Volgens het PT had dergelijke schade voorkomen kunnen worden. Woordvoerder Geert Pinxterhuis spreekt over groeiende irritatie bij telers over de kwestie. ”Wij hebben sinds 6 januari getracht informatie bij de overheid vrij te krijgen. Op heel veel vragen hebben we nog steeds geen antwoord. Dat geeft op zijn minst een onbevredigend gevoel.”

Volgens Pinxterhuis heeft dat voor een belangrijk deel met de besluitvormingsstructuur te maken, die bij dergelijke calamiteiten in werking treedt.

Een belangrijke rol is weggelegd voor de Veiligheidsregio’s, zo blijkt uit navraag. Zij hebben de directe verantwoordelijkheid voor beleidsbeslissingen in het effectgebied binnen de 10 kilometerzone en worden geadviseerd door het Beleidsondersteunend Team milieu-incidenten (BOT-mi). Rapportage aan het BOT-mi over het onderzoek komt weer van verschillende organen, waaronder het RIVM en het VWA.

Met zoveel schakels in het systeem, moet er wel vertraging optreden, denkt Pinxterhuis. ”Als een van deze organen iets niet snapt, dan gaat de vraag weer terug naar de andere partij. Het is niet voor niets dat wij een brandbrief hebben gestuurd naar minister Schippers. Wij hebben bij herhaling bekendgemaakt dat wij te maken hebben met een versproduct. Uiteraard staan volksgezondheid en voedselveiligheid voorop, maar onderschat niet wat de impact is op versproducten. Dat is volgens ons deels veroorzaakt door snelheid waarmee de ambtelijke molen heeft geopereerd.”
Niet alleen het PT wachtte op duidelijkheid. Ook bij de verschillende organen blijkt de onduidelijkheid groot, getuige onder meer een brief die door de Veiligheidsregio’s naar het ministerie van VWS gestuurd wordt op 13 januari. De regio’s wachten op dat moment op ’volledige meetresultaten van het RIVM’. Het uiteindelijk advies zou van het BOT-mi moeten komen, maar dat kwam niet. En dus werden telefoontjes naar Den Haag gepleegd.

De regio’s verwachten ’op korte termijn’ een reactie. Maar volgens het ministerie ligt de verantwoordelijkheid voor 98 procent van de gevallen bij de regio’s zelf. De ministeries laten hun gezag pas gelden buiten het 60-kilometergebied.

Of registreer je om te kunnen reageren.