Home

Achtergrond 150 x bekeken

De federatie wil toch weer richting integratie

Eén LTO Nederland bleek in 2005 geen haalbare kaart. Een voorstel tot fusie van alle LTO-organisaties tot één geheel ketste af op persoonlijke tegenstellingen en verschillen van inzicht over de te volgen koers.

Zelfs wat er al was aan centrale organisatie werd afgebroken en teruggelegd bij de drie regio’s. Gerard Doornbos en Dirk Duijzer verloren er hun baan mee. Het nieuwe LTO Nederland werd een koepel-orgaantje voor de onderlinge communicatie en lobby-activiteiten, opererend vanuit een kantoortje in Den Haag.

Meer dan vijf jaar verder, met deels nieuwe mensen aan het roer en het aantal agrarische ondernemers (plus de organisatiegraad) flink verder gedaald, wordt duidelijk dat toch weer wordt gewerkt aan een nieuwe bundelingspoging. Naar buiten toe is daar geen enkele communicatie over geweest, want het ligt gevoelig. Maar wie goed oplet, kan de tekenen plaatsen.

Hinderpalen worden alvast aan de kant gezet. Men neme het vertrek van Gerard van Oosten als algemeen directeur van de ZLTO. Hij was een van de architecten van het overigens zeer succesvolle ZLTO-model (van belangenbehartiging en ondernemerschap).

Het vertrek van voorzitter Tammo Beishuizen van LTO Noord valt in dezelfde categorie. Beishuizen leek al een periode onder curatele te staan: hij sprak nauwelijks in het openbaar en sloeg interviewverzoeken af. Hij uitte zich alleen schriftelijk.

Dan is er de commissie-Veerman-Winsemius, die vorig najaar door de Federatieraad is ingesteld. De commissie stelde een rapport op over het functioneren van LTO Nederland, met een analyse van de sterke en zwakke punten van het LTO-geheel, en met aanbevelingen over hoe nu verder. Het rapport ligt sinds het prille begin van 2011 op de bureau’s van de LTO-bestuurders.

Mededelingen erover zijn nog niet gedaan en klaarblijkelijk zijn er ook nog geen zichtbare consequenties getrokken. Als het de hoogste bestuurders ernst is, zal dat niet lang zo blijven.
Overwegingen zijn er genoeg om verder te gaan met het ineenschuiven van de LTO-organisaties, ondanks de eerder groter dan kleiner geworden verschillen tussen de twee landbouworganisaties beneden de grote rivieren en die ene erboven. Agrarisch Nederland heeft alle organisatiekracht nodig die er te vinden is, om ook in de komende tijd de belangen van de aangesloten boeren en tuinders te dienen.

De ZLTO staat er op het oog het beste voor, want is goed georganiseerd en zit prima in de financiën. ZLTO opereert echter slechts in een beperkt deel van Nederland en kampt ondanks alles ook met een krimpende achterban, die bovendien in de eigen regio vaak niet meer uit de voeten kan. Bovendien lijkt de visie van bestuurders van ZLTO soms een stap te ver voor de leden, waardoor er onenigheid ontstaat.

Dit is niet het geval bij de LLTB. De Limburgse organisatie zoekt de samenwerking met andere organisaties in de regio en werkt aan oplossingen zonder volledig naar de pijpen van de andere partijen te dansen. Ze houdt de eigen visie als basis en houdt daarmee de band met de leden sterk.

LLTB is goed georganiseerd. De kleinste organisatie onder de LTO-paraplu heeft als nadeel dat ze door haar omvang op landelijk en bovenlandelijk niveau weinig kan zonder de rest van LTO.
Bij LTO Noord tenslotte is de situatie het meest dramatisch. De organisatie vertegenwoordigt dan wel het grootste aantal boeren en tuinders en is actief in het grootste deel van het landelijk gebied, maar is nauwelijks één geheel te noemen. De onderlinge cultuurverschillen zijn groot en de belangenbehartiging is ouderwets. Bovendien wordt LTO Noord geplaagd door grote financiële tekorten en sterk teruglopende ledenaantallen.

Alle reden dus voor een grote reorganisatie. De vraag is echter: durft en kan LTO het aan?

Foto

Of registreer je om te kunnen reageren.