Home

Achtergrond 215 x bekeken

IK-OPA vordering belast met successierecht

De IK-OPA clausule is in veel testamenten opgenomen om Successierechten te besparen. Volgens het gerechtshof Amsterdam werkt de clausule echter niet.

Kort samengevat is de uitspraak van Hof Amsterdam de volgende:

In 1998 overlijdt een grootvader die in zijn testament zijn zoon tot enig erfgenaam heeft benoemd. De zoon is de last opgelegd om aan zijn kinderen een gedeelte van de nalatenschap toe te kennen. De uitbetaling daarvan hoeft pas plaats te vinden na het overlijden van de zoon én zijn echtgenote. De zoon en zijn echtgenote zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. De zoon overlijdt in 2001. Ter uitvoering van het testament van zijn vader (grootvader) wordt aan de drie kinderen een gezamenlijk bedrag van € 500.280 schuldig erkend. In 2006 overlijdt de echtgenote van de zoon. Zij is bij haar overlijden aan elk van haar kinderen onder meer een ‘ik-opa-vordering’ van € 83.380 verschuldigd. Dit is een derde van de helft van het in de huwelijksgoederengemeenschap vallende schuldig erkende bedrag. De inspecteur stelt dat op de "ik-opa-vordering" artikel 10 Successiewet (SW) van toepassing is, maar de kinderen, belanghebbenden, bestrijden dat. Als de rechtbank hen in het gelijk stelt, gaat de inspecteur in hoger beroep.

Hof Amsterdam memoreert dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de aanvaarding van een legaat en de uitvoering van een last, rechtshandelingen zijn in de zin van artikel 10 SW. Omdat vader terzake van het overlijden van grootvader de last heeft aanvaard om bedragen schuldig te erkennen aan zijn kinderen is uitvoering gegeven aan een last als bedoeld in het arrest en is sprake van een rechtshandeling als bedoeld in artikel 10 SW, aldus het hof. Het Hof beslist vervolgens dat erflaatster als partij bij die rechtshandelingen kan worden aangemerkt. De wettelijke gemeenschap van goederen houdt in dat ook schulden die ten laste van de gemeenschap door één van de echtgenoten worden aangegaan, kunnen worden verhaald op het gemeenschapvermogen en daarmee ook op het aandeel daarin van de andere echtgenoot. Rechtshandelingen van de ene echtgenoot binden dus ook de andere echtgenoot, zodat -aldus het hof- mag worden aangenomen dat als de ene echtgenoot bevoegdelijk beschikt over gemeenschapsvermogen door bedragen schuldig te erkennen, hij dit mede doet namens de andere echtgenoot. Dit brengt mee dat de andere echtgenoot (erflaatster) partij wordt geacht te zijn geweest bij de rechtshandeling, zoals in casu bedoeld in artikel 10 SW. Een andere wetsuitleg strookt niet met de bedoeling van de wetgever. Het hof verklaart het hoger beroep van de inspecteur gegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank.

Meer informatie: Hof Amsterdam, MK I, 2 september 2010, nummers 09/00461 en 09/00463

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.