Home

Achtergrond 365 x bekeken

Inbreng melkveebedrijf in BV tegen een winstrecht en lijfrente akkoord

Het is niet aannemelijk geworden dat intentie bestond om onderneming te verkopen aan een derde op het moment dat de BV werd opgericht.

Daarom is de inbreng van het melkveebedrijf in een BV tegen een winstrecht en lijfrente van de rechtbank Arnhem akkoord. Er hoeft geen inkomstenbelasting betaald te worden bij deze inbreng.

Kort samengevat is de uitspraak van rechtbank Arnhem de volgende:

Belanghebbende en zijn echtgenote woonden sinds begin jaren ’90 in Portugal, waar zij onder meer een melkveehouderij exploiteerden. Daarnaast dreef belanghebbende tot en met 31 december 2001 in Nederland in de vorm van een eenmanszaak een melkveehouderij en een akkerbouwbedrijf. Eind 2001 is dit bedrijf te koop gezet. Vanaf 1 januari 2002 zijn belanghebbende en zijn echtgenote deze onderneming in de vorm van een maatschap gaan drijven. Vervolgens is de verkoop van de onderneming stilgelegd en is een bv opgericht. Daarna is de onderneming ingebracht in de bv tegen een winstrecht en een lijfrente. In november 2002 zijn de verkoopactiviteiten weer gestart, hetgeen tot een verkoop heeft geleid op 1 april 2003. De inspecteur heeft de premies lijfrente en de winstrechten gecorrigeerd. Volgens de inspecteur bestond ten tijde van de overdracht van de onderneming aan de bv reeds de intentie om de onderneming te verkopen aan een derde. Daarnaast stelt de inspecteur zich op het standpunt dat de bv geen toegelaten verzekeraar is in de zin van art. 3.126 Wet IB 2001, nu de feitelijke vestigingsplaats van de bv Portugal is.

Rechtbank Arnhem oordeelt dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van de oprichting van de bv in wezen al vaststond dat de onderneming zou worden gestaakt of verkocht aan een derde. Daarnaast acht de rechtbank de verklaringen van de dochter en haar echtgenoot, inhoudende dat bij hen in 2002 de intentie bestond om het boerenbedrijf over te nemen, geloofwaardig. Nu de onderneming in 2002 is voortgezet en pas in 2003 is verkocht, kan volgens de rechtbank het winstrecht in 2002 in aftrek worden gebracht op de winst. Voorts oordeelt de rechtbank dat recht bestaat op aftrek van lijfrentepremie. Volgens de rechtbank heeft de inspecteur onvoldoende aannemelijk gemaakt dat in 2002 de feitelijke leiding van de bv in handen was van belanghebbende en dat om die reden de bv buiten Nederland was gevestigd. De rechtbank vermindert de opgelegde aanslagen. Het beroep wordt vervolgens gegrond verklaard.

Meer informatie: Rechtbank Arnhem, nummer 08/02885, 6 juli 2010

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.