Home

Achtergrond 461 x bekeken

Cassatie uitspraak Hof over toepassing Landbouwvrijstelling paardenopfokbedrijf

Moet de in het bedrijf gebruikte grond voor meer dan 70% of voor meer dan 90% voor landbouwactiviteiten gebruikt worden voordat de landbouwvrijstelling van toepassing wordt.

Dat is de vraag die wordt voorgelegd aan de Hoge Raad. De minister van Financien heeft cassatie aangetekend tegen de uitspraak waarin het Hof Amsterdam besliste dat recht blijft bestaan op toepassing van de landbouwvrijstelling omdat de grond hoofdzakelijk dienstbaar is aan het (paarden)opfokbedrijf dat als landbouwbedrijf is aan te merken.

Kort samengevat is de aan de Hoge Raad voorgelegde casus de volgende:

B exploiteert een rundveehouderij en verkoopt in 2000 een perceel grond met behoud van recht van gebruik voor zes jaar. Het bij de verkoop behaalde voordeel viel op dat moment onder de landbouwvrijstelling. In 2003 staakte B de rundveehouderij en is hij een paardenbedrijf begonnen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het (op)fokken van paarden is te zien als een activiteit waaraan zelfstandige betekenis toekomt en die is te beschouwen als een landbouwbedrijf. De zelfstandigheid van de fok- en opfokactiviteiten kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat dit plaatsvindt op een andere locatie dan die van het paardenpension. Vanaf 2003 wordt bedoeld perceel aldus gebruikt in het kader van een landbouwbedrijf. Ook in de jaren daarvóór was dat het geval, omdat B toen nog de rundveehouderij exploiteerde. Daaraan doet niet af dat er slechts enkele stuks rundvee aanwezig waren in verband met het aflopen van het rundveebedrijf en de MKZ-crisis.

Verder is volgens het hof een deel van de indirecte kosten terecht als privékosten aangemerkt. Dit nu B paarden die toen tot het privévermogen behoorden huisvestte in tot het ondernemingsvermogen behorende onroerende zaken en voedde met ruwvoer waarvan de kosten geheel bedrijfsmatig waren verwerkt.De minister heeft cassatieberoep ingesteld. Hij is het oneens met het oordeel dat B recht bleef houden op toepassing van de landbouwvrijstelling omdat het perceel hoofdzakelijk dienstbaar is aan het opfokbedrijf, dat als landbouwbedrijf kan worden aangemerkt. Hij meent dat het hof een onjuiste maatstaf aanlegt door te oordelen dat voldoende is dat grond hoofdzakelijk (70%) dienstbaar is aan het gebruik binnen de landbouwonderneming, terwijl het juiste criterium is dat de grond geheel of nagenoeg geheel dienstbaar is aan het landbouwbedrijf. Verder acht de minister onbegrijpelijk het oordeel dat het perceel hoofdzakelijk dienstbaar is aan het landbouwbedrijf. Dit gelet op de berekeningen over de gebruik van het op het perceel geteelde ruwvoer en het feit dat het perceel slechts in het groeiseizoen wordt begraasd.

Meer informatie: Lopende procedure Hoge Raad n.a.v. uitspraak Hof Amsterdam van 22 april 2010, 2008/00418

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.