Home

Achtergrond 226 x bekeken

Waardering onderneming bij overlijden in geding

De waardering van een agrarische onderneming voor de Successiewet is een heikel punt. Volgens de rechtbank Haarlem moet bij een overlijden van een (in gemeenschap van goederen getrouwde) ouder de onderneming voor een deel gewaardeerd worden op liquidatiewaarde en niet op een lagere waarde going concern.

Kort samengevat is de uitspraak van de rechtbank de volgende:

Erflaatster was in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met X1. Samen hadden zij een zoon, X2, en een dochter, X3. Erflaatster dreef tot haar overlijden een agrarische onderneming in de vorm van een maatschap met haar zoon en echtgenoot. Haar aandeel in de maatschap is overgenomen voor € 676.289 en de liquidatiewaarde van haar aandeel bedroeg € 2.103.933. De echtgenoot en de zoon hebben nihilaanslagen successierecht ontvangen. Tegelijkertijd zijn conserverende aanslagen in verband met toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling opgelegd.

Omdat de beroepen van X1 en X2 alleen gericht zijn tegen de nihilaanslagen, worden deze beroepen niet-ontvankelijk verklaard. Daarom is slechts nog in geschil of de verkrijging van de dochter, vastgesteld op €301.561, te hoog is vastgesteld. Anders dan de dochter meent, moet, voordat de waarde van de nalatenschap kan worden bepaald, eerst de omvang van de ontbonden gemeenschap van goederen worden bepaald, omdat deze voor de helft in de nalatenschap valt. Slechts de economische deelgerechtigdheid van een maat in het vermogen van de maatschap valt in de gemeenschap van goederen waarin de maat gehuwd is.

Om de geldwaarde van deze economische deelgerechtigdheid te kunnen bepalen, is van belang wat in het maatschapscontract geregeld is over de waardering van het vermogen van de maat die is overleden. In het maatschapscontract is geregeld dat de echtgenoot het maatschapsaandeel van erflaatster kan overnemen voor €676.289. De dochter is van mening dat, voor de bepaling van de hoogte van de ontbonden gemeenschap van goederen, ook het maatschapsaandeel van haar vader op €676.289 gewaardeerd moet worden.

Ook dit standpunt wordt niet gevolgd. De vader is immers niet verplicht ook zijn aandeel in de maatschap te leveren voor dit bedrag, en daarom wordt zijn aandeel gewoon gewaardeerd op de liquidatiewaarde. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur de verkrijging van belanghebbende, de dochter, juist heeft vastgesteld. Het beroep wordt vervolgens ongegrond verklaard.

Meer informatie:
Rechtbank Haarlem 22 september 2009, nummer 09/01113, LJN BJ8177

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.