Home

Achtergrond 275 x bekeken

Geen langlopende schulden in DCF-berekening successiewet

Bij de berekening van de verschuldigde erf- of schenkbelasting bij een bedrijfsovername wordt vaak gebruik gemaakt van een DCF-rekenmodel dat is goedgekeurd door het Ministerie van Financiën.

Over de toepassing van het rekenmodel is een proefprocedure gevoerd. De uitkomst van de proefprocedure is dat de langlopende ondernemingschulden bij de berekening van de voortzettingswaarde niet in aanmerking genomen mogen worden.

Kort samengevat is de uitspraak van de Hoge Raad de volgende:

Tot de nalatenschap van F behoort ondernemingsvermogen. De liquidatiewaarde van de onderneming is bepaald op € 3.759.089. Bij de vaststelling van de geconserveerde waarden heeft de inspecteur de voortzettingswaarde van de onderneming op € 1.689.956 bepaald. De inspecteur heeft de voortzettingswaarde berekend op basis van een in een beleidsregel goedgekeurd rekenmodel dat is gebaseerd op de discounted cash flow-methode. De langlopende ondernemingschulden (€ 690.729) zijn bij de berekening van de voortzettingswaarde niet in aanmerking genomen. Volgens het hof is dat terecht, omdat het rekenmodel daarin niet voorziet. Volgens het hof staat het belanghebbende echter wel vrij om, in afwijking van het rekenmodel, de voortzettingswaarde op andere wijze te berekenen. De Hoge Raad is het eens met beide oordelen van het hof. Het oordeel van het hof dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de voortzettingswaarde op een lager bedrag moet worden berekend dan het bedrag van de inspecteur, is in de ogen van de Hoge Raad echter niet cassatieproof. Het hof heeft namelijk een bewijsaanbod van belanghebbende op dit punt over het hoofd gezien. De Hoge Raad vernietigd vervolgens de uitspraak van het hof en verwijst de zaak vervolgens naar een ander hof.

Meer informatie:
Hoge Raad 21 mei 2010,nummer 09/02715, LJN BM5123

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.