Home

Achtergrond 198 x bekeken

Geen aansprakelijkheid voor belastingschulden echtgenoot

Volgens de Hoge Raad is de ene echtgeno(o)t(e) niet aansprakelijk voor belastingschulden van de andere echtgeno(o)t)(e). Dit is de uitkomst van een belangrijke uitspraak voor de praktijk die met name in verliessituaties van toepassing is.

Kort samengevat is de uitspraak van de Hoge Raad de volgende:

Een echtpaar was tot 28 april 2004 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest. De vrouw deed afstand van de huwelijksgoederengemeenschap. Op 9 juni 2004 werd de door de vrouw ondertekende akte afstand huwelijksgoederengemeenschap ingeschreven in het bij de rechtbank gehouden huwelijksgoederenregister. De echtgenoot van de vrouw had gedurende het huwelijk een rijschool gedreven in de vorm van een eenmanszaak. Over de jaren 1996 tot en met 2002 had de echtgenoot belastingschulden onbetaald gelaten tot een bedrag van bijna € 70.000. De echtgenoot bood echter onvoldoende verhaalsmogelijkheden om de belastingschulden te voldoen. Op 25 oktober 2006 stelde de ontvanger van de belastingdienst de vrouw civielrechtelijk aansprakelijk voor de helft van diverse aanslagen in de inkomstenbelasting, omzetbelasting, premie Ziekenfondswet en premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: de belastingschulden).

De rechtbank in Haarlem verklaarde het beroep van de vrouw tegen de aansprakelijkheid gegrond. Hof Den Haag bevestigde in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris van Financiën ging in cassatie bij de Hoge Raad en stelde dat belastingschulden per definitie behoren tot uitgaven ten behoeve van de gewone gang van de huishouding, waarvoor beide echtgenoten hoofdelijk aansprakelijk zijn.

De Hoge Raad heeft beslist dat deze stelling in het algemeen onjuist is. Betaling van belastingschulden die betrekking hebben op een belasting die wordt geheven naar het inkomen, strekt tot voldoening aan wettelijke verplichtingen aan de overheid. Daarna resteert een in beginsel vrij besteedbaar inkomen dat voor allerlei doeleinden kan worden gebruikt, al dan niet ten behoeve van de gewone gang van de huishouding. De Hoge Raad merkte daarover op dat dan nog niet kan worden gezegd dat deze belastingschulden strekken ten behoeve van de gewone gang van de huishouding zoals bedoeld in het Burgerlijk Wetboek.

De Hoge Raad verklaarde daarop het cassatieberoep van de staatssecretaris ongegrond.

Meer informatie: Hoge Raad, 21 mei 2010, nummer 09/01929

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.